Arabische christenen en revolutie
Uit: Centraal Weekblad, 6 mei 2011, pag. 12, door Drs. W. van Saane
Schurkenstaten waar wrede dictators hun schrikbewind voeren. Dat is het beeld van het oude Tunesië, Libië, Syrië en zelfs Egypte dat de westerse media graag schildert. De opstanden daarentegen zijn oprecht democratische bewegingen, die westerse steun verdienen. Het is op zijn zachtst gezegd een nogal eendimensionale benadering van een complexe beweging in een complexe regio met een ongetwijfeld nog complexere uitkomt. Vraag het maar aan de christenen van het Midden-Oosten, die momenteel heen en weer geslingerd worden tussen hoop en vrees.
Het moest vroeger of later gebeuren. Albert Hourani (1915-1993), misschien wel de beste geschiedschrijver van het Midden-Oosten van de twintigste eeuw, zag in de jaren ’80 al waar de zwakte van de huidige Arabische regimes lag. Ze waren niet in staat om de razendsnelle economische ontwikkelingen om te zetten in een betere verdeling van de welvaart. Ze waren onduidelijk over de plaats van het islamitische erfgoed in het politieke bestel. En ze wisten onvoldoende loyaliteit aan de staat te winnen: etnische en religieuze diversiteit bleef het primaire kenmerk van hun bevolking. Hourani sprak in zijn tijd al van de paradox van stabiele regimes in een intens instabiele regio.
Het was niettemin een paradox. Want door een overheidsapparaat dat zich uitstrekte tot diep in het leven van alledag – tot in iedere stadswijk en elk afgelegen dorpje – wisten deze staten toch voldoende grip op hun bevolking te krijgen. Velen waren (financieel) afhankelijk van de overheid, van de partij, en uiteindelijk van de top van de hiërarchie: de presidentiële clan. Dat verklaart de fanatieke steun van velen die zich met Mubarak, Khadaffi en Assad verbonden wisten en weten.
Ze werden echter ingehaald door de globalisering. Met hun isolatiepolitiek, geheime diensten en censuur werden ze fossielen van de koude oorlog. Ze hielden de politieke macht in een kleine kring en maakten geen ruimte voor een nieuwe generatie visionaire leiders. Ze beseften niet dat ze op een demografische tijdbom zaten en zorgden niet voor economische kansen voor duizenden uitstekend opgeleide jongeren.
Bovenal riepen ze te weinig herkenning op bij een zelfbewuste soennitische meerderheid. Ze zochten hun kracht in een sterke seculiere staat, waarin religieuze en etnische minderheden, inclusief de christenen, zich relatief veilig wisten. Intussen haalden ze zich het ongenoegen op de hals van islamitische meerderheidsgroepen met politieke ambities.
Geen wonder dat de christenen in de Arabische landen gemengde gevoelens hebben over de revoluties. Ze zijn trots dat de Arabische wereld deze vitaliteit in zich blijkt te hebben. Hun trots wordt echter verdrongen door sterke argwaan. Aan de goede bedoelingen van de jonge opstandelingen twijfelen ze niet, maar ze vrezen dat deze beweging onvoldoende georganiseerd is en onvoldoende visie heeft. Ze voorzien dat het machtsvacuüm snel zal worden gevuld door conservatieve islamitische bewegingen, die wel sterk georganiseerd zijn en een heldere toekomstvisie hebben. Mochten zij de touwtjes inderdaad in handen krijgen, dan zal het niet eenvoudig zijn voor de vernieuwers en idealisten om daarna nog een rol van betekenis te spelen.
De christenen lopen daarom niet voorop in de revoluties. In Syrië is dat zeker niet het geval. Daar hebben de christenen onder het Baath-bewind vanouds een relatief grote vrijheid en veel invloed. Democratische hervormingen zien ze wel zitten, maar niet als ze ten koste gaan van de politieke status quo. Het doemscenario van buurland Irak staat op hun netvlies gebrand. Syrië zelf heeft duizenden Irakese vluchtelingen opgenomen, waaronder talloze christenen. Als Baath in Syrië ook valt, wie zal dan het lot van de Syrische christenen garanderen?
In Egypte veroordeelden de leiders van de Koptisch-Orthodoxe Kerk, niet gebrand op vernieuwing, aanvankelijk de revolutie. Een substantiële groep christenen participeerde toch en gaf de revolutie een interreligieuze glans. Niettemin heerst er onder Egyptische christenen nog veel onzekerheid: kunnen zij in de nieuwe bedeling op bescherming tegen fundamentalistisch geweld rekenen? Zijn de christenen hun beschermheren nu definitief kwijt?
Evenals Irak vormen de Syrische en Egyptische samenlevingen vanouds een mozaïek van religieuze en etnische groepen. Irak is in tien jaar onherkenbaar veranderd. Het is zeker niet ondenkbaar dat de revoluties in Egypte en vooral in Syrië een vergelijkbare schade zullen aanrichten.
Sinds mensenheugenis hebben sterke leiders het beeld in de Arabische wereld bepaald. Zelfs in landen met een democratisch systeem – met name Libanon – zijn het toch de leidende clans die de machtsbalans bewaken. Het is de vraag welke clans uit het huidige gistingsproces boven zullen komen en welke houding zij zullen hebben ten opzichte van de religieuze en etnische minderheden in hun landen. Een geoliede democratie met een meerpartijensysteem is in de meeste landen op korte termijn ondenkbaar.
Befaamde opinieleiders zijn er niet gerust op. Robert Kaplan waarschuwde: ‘Wees voorzichtig waar je op hoopt in het Midden-Oosten!’Thomas Friedman van de New York Times schrijft: ‘Bid voor Duitslanden. Hoop op Zuid-Afrikas. Bereid je voor op Joegoslaviës.’ En Philip Jenkins, hoogleraar godsdienstwetenschappen en religiegeschiedenis aan Pennsylvania State University, schetst de mogelijke scenario’s voor de vijf miljoen Syriërs behorend tot een religieuze minderheid als Baath valt: ‘in het beste geval vervolging, in het slechtste geval massamoord’.
Het is te hopen dat de toekomst minder somber is dan deze westerse denkers voorzien. Voor de christenen van het Midden-Oosten is de vraag naar de toekomst overigens secundair. Het hier en nu eist alle aandacht op. Welke rol is voor hen weggelegd in deze tijd van omwenteling?
In Egypte hebben christenen besloten niet lijdzaam af te wachten, maar het democratiseringsproces een handje te helpen door het geven van voorlichting en training. In Syrië is die ruimte er vooralsnog niet. Toch kunnen christenen een democratische voorhoede vormen, mocht er in de regio een nieuwe openheid komen.
Wel is er ruimte om juist in deze tijd van revolutie en geweld een dienstbare, diaconale rol te vervullen, bijvoorbeeld middels organisaties als Caritas en de Midden-Oosten Raad van Kerken. De kerken van de regio kunnen juist in dat opzicht de steun van westerse christenen gebruiken.
Verder is het de vraag of de Arabische christenen een brugfunctie kunnen vervullen. De eenheid in de landen van het Midden-Oosten en in de regio als geheel staat onder zware druk. De christenen vormen een miniscule minderheid, die bijna wordt vermalen in de machtsstrijd van de politieke en religieuze groten. Misschien kunnen christenen juist dankzij hun onverdachte minderheidspositie ambassadeurs van hoop en verzoening zijn op de gevaarlijke weg naar een nieuw Midden-Oosten.