| NZR Edinburgh weblog:Commission IV |
|
| Utrecht september 2010: Wilbert van Saane | |
Zending en de godsdiensten
Het wordt steeds moeilijker om een christelijke theologie van de religies te formuleren. Want ook het religieuze landschap is veranderd door de globalisering. Religieuze tradities overlappen, vloeien samen, trekken elkaar aan, botsen en beïnvloeden elkaar in een steeds hoger tempo. Natuurlijk hebben de godsdiensten altijd al leentjebuur gespeeld. Syncretisme is een eeuwenoud fenomeen. Toch lijkt het of de moderne media en de toenemende mobiliteit die processen hebben versneld. Terwijl christelijke theologen in het verleden keurige verhandelingen schreven over de christelijke visie op islam, hindoeïsme, boeddhisme etc., zijn zulke boeken vandaag de dag schaars. Degenen die toch zo vermetel zijn om zich op dat pad te begeven komen er al snel achter dat zij de werkelijkheid versimpelen en geen recht doen aan de hedendaagse religieuze ervaring van mensen.
Zending en de religieuze markt
Het woord vloeibaarheid kenmerkt de manier waarop velen in het Westen vandaag met religie omgaan. Ze zijn steeds minder geboden aan religieuze instituten. Ze voelen zich vrij om te winkelen op de religieuze markt. Ze zoeken naar zingeving op vele verschillende plaatsen. Hun benadering van godsdienst is pragmatisch. Het gaat meer om emoties dan om kennis. Werkt het? Helpt het mij? Voelt het goed? Raakt het mijn leven?
Dit klimaat kan kerken die missionair willen zijn verleiden om zich ook maar te storten in de competitie op de religieuze markt en te dingen naar de aandacht van de religieuze consument. Ze kunnen zich gedrongen weten op aantrekkelijke wijze hun “product” aan te bieden, zodat ze een groter marktaandeel veroveren dan de religieuze concurrenten.
Dat is echter geen zending in het voetspoor van Christus. De evangeliën tonen ons dat Christus weigerde om verstrikt te raken in een religieuze competitie. Hij liet zich niet verleiden tot disputen over de juistheid van religieuze overtuigingen, rituelen en gewoonten. Hij verkocht ook geen product. In plaats daarvan riep hij mensen terug naar een zuivere relatie met een liefdevolle en onbaatzuchtige God – en naar een levensstijl die deze liefdesrelatie weerspiegelt door zelfopoffering.
De logica van Christus stond diametraal tegenover de logica van de markt. Het ging niet over winst en groei ten koste van anderen. Het ging over geven: anderen ruimte geven, zelfs als dat je heel veel kost. “Behandel anderen dus steeds zoals je zou willen dat ze jullie behandelen.” (Matteüs 7: 12) Paulus, misschien wel de grootste missionaris onder Jezus’ volgelingen, begreep deze omgekeerde logica. “Draagt elkanders lasten, en vervult alzo de wet van Christus.” (Galaten 6: 2, NBG1951) Maar de meest onthullende omschrijving van het volgen van Jezus is misschien wel die van Johannes de Doper die over de relatie tussen Jezus en zichzelf zegt: “Hij moet groter worden en ik kleiner.” (Johannes 3: 30)
Overmoedige apologetiek
In het licht van Christus’ voorbeeld lijkt apologetiek zoals christenen dit door de eeuwen heen hebben beoefend een compromis, het water van de markt bij de wijn van het evangelie. En de grote zendingsconferentie van Edinburgh 1910 lijkt precies deze fout begaan te hebben. De woordvoerders van de conferentie legden de nadruk op de “absoluutheid” van het christelijke geloof tegenover de betrekkelijke betekenis van andere geloven. De rapporten repten van de ineenstorting van andere religies en de ultieme overwinning van de christelijke religie. Het christendom was de enige godsdienst die kon overleven in de moderne tijd, zo stelden sommige gedelegeerden. Zelfs de islam, toch een tegenstander van formaat, zou uiteindelijk plaats moeten maken. “De impact van de moderne wereld op de islam moet vroeg of laat leiden tot de ondergang van die eeuwenoude dwaling.” (WMC, IV, 244)
Commissie IV stelde zichzelf de taak van doordenking van “de introductie van het christelijke geloof in het denken van de niet-christelijke volken”. Je zou deze commissie kunnen vergelijken met een reclamebureau ingehuurd om de marktstrategie van een grote commerciële onderneming onder de loep te nemen. Dit zijn de vragen die de leden van de commissie wilden beantwoorden: Welke problemen komen we tegen bij de introductie van het christelijke geloof? Hoe beïnvloedt dat het denken van de zendelingen? Hoe slaat dat terug op onze theologie? En hoe kunnen we de missionarissen zo trainen dat ze beter in staat zijn om het geloof over te brengen? (WMC, IV, 1) Als echte economische consulenten richtten ze zich in het bijzonder op vragen rondom de doelgroepen. Welke elementen in andere religies houden mensen bij Christus vandaan? Welke elementen bereiden mensen voor op een ontmoeting met Christus? Welke elementen in het evangelie “winnen” mensen voor het christelijke geloof? Het lijkt op doeltreffend marktonderzoek!
De apologetische uitspraken van de Edinburgh conferentie zijn inderdaad te overmoedig en te simplistisch gebleken. De oude religies van de wereld hebben zich niet zo snel gewonnen gegeven! Zelfs het animisme lijkt een opleving door te maken, en dat in de westerse context. Procentueel is het christendom niet eens gegroeid in de afgelopen honderd jaar! Bovendien bleken de scheidingen tussen de religies niet zo waterdicht als de deelnemers aan de Edinburgh conferentie veronderstelden.
Religieuze osmose
Toch zou ik Commissie IV geen recht doen als ik het rapport alleen maar interpreteerde als een voorstel voor een betere verkoopstrategie van het christelijke geloof. We moeten toegeven dat de commissieleden opriepen tot een diepe sympathie tussen christenen en andere gelovigen. De rapporten verraadden een grote waardering en bewondering voor lijnen in andere godsdiensten. Zo werden moslims geprezen om hun bodemloze toewijding aan de wil van God en hun niet aflatende vertrouwen dat God genadig is (127-8). Christenen werden opgeroepen tot “een bereidheid van anderen te leren en waarheid te aanvaarden die we nog niet hadden ontvangen” (39). Andere godsdiensten werden gewaardeerd voor hun spiegelfunctie. Middels een eerlijke en open dialogische vergelijking die velen in Edinburgh voor ogen stond brengen ze christenen terug bij het hart van hun geloof. In de woorden van de befaamde islamoloog William Temple Gairdner: “Christenen die de Triniteit verkondigen moeten ook het geheim van het trinitarische leven kennen… De islam dwingt ons om de Triniteit in ons hart en de Triniteit in het hart van God te vinden.” (135) Door zulke verbindingen en overeenkomsten aan te wijzen, stootten de gedelegeerden op de diepere banden tussen gelovigen uit allerlei religieuze tradities. Oppervlakkige economische terminologie is ongeschikt om de geestelijke onderstromen te verwoorden waarop Commissie IV licht probeerde te werpen.
In het kader van deze diepe verbanden riep Commissie IV vervolgens op tot een levende christelijke theologie. De belangrijkste conclusie van het studieproces van 1910 was dan ook: ken de religies en ken je eigen geloof. Kennis is essentieel omdat de godsdiensten “zonder uitzondering de elementaire verlangens van de menselijke ziel bloot leggen, die alleen het christendom kan vervullen” (267). Als christenen willen helpen bij het vervullen van deze verlangens, dan kan dat alleen als ze een levend geloof hebben, ondersteund door een levende theologie, een levende gods-kennis. “Niets is urgenter voor religieuze propaganda dan de vraag naar de waarheid en de zuiverheid van ideeën. Naast het levende geloof is de grote noodzaak van deze tijd een levende theologie.” (5) Hoewel wij aan het begin van de 21e eeuw ons deze woorden slechts moeizaam eigen kunnen maken, wijzen ze toch op een apologetiek waarin sympathie, eerlijkheid en overtuiging samenkomen. Om het nog iets anders te zeggen: Edinburgh 1910 had minder moeite met religieuze osmose dan het soms militante taalgebruik doet vermoeden.
Christelijke zending en hedendaagse religiositeit
Edinburgh’s Commissie IV koos dus een apologetische benadering waarin kennis centraal stond, maar waarin ook ruimte was voor de vloeibaarheid van religie. Is die ietwat intellectualistische benadering nog steeds bruikbaar voor christelijke zending vandaag, in een samenleving waarin velen zich laten leiden door de zintuigen en de emoties? Ik denk het wel. Ik geloof zelfs dat we geen alternatief hebben. Natuurlijk zijn christenen geroepen het evangelie op creatieve wijze te communiceren, zodat het de zintuigen en het emotionele leven raakt. Maar toch moeten de overtuigingen die gecommuniceerd worden gebaseerd zijn op doorwrocht christelijk denken. Het geloof zoekt te begrijpen, in elke tijd weer opnieuw. Hoe dieper je toewijding aan de elementaire christelijke geloofsovertuigingen is, hoe opener je kunt staan in een ontmoeting met gelovigen uit andere godsdienstige tradities. Het is een paradox: als gelovigen groeien in kennis van hun eigen geloof zijn ze ook beter in staat die vloeibaarheid te onderzoeken, die religieuze onderstromen. Tegelijkertijd zijn ze zicht daardoor sterker bewust van de uniciteit van hun eigen geloof, en van ieder ander geloof.
Hoewel we dus welwillend staan tegenover de apologetische benadering van Commissie IV, kunnen we toch niet kritiekloos alle aanbevelingen volgen. We moeten met name het taalveld van de christelijke “absoluutheid” achter ons laten. De Bijbel reikt ons geen uitdrukking als “Absolute waarheid” of “absolute waarde” aan. Het zijn eerder koloniale categorieën die in onze tijd een neokoloniale, kapitalistische bijklank krijgen. Zulke terminologie verloochent het kruis van Christus en het kruis dat christenen in de navolging van Christus te dragen hebben. Het stoot mensen begrijpelijkerwijs af en het roept weerstand en achterdocht op tegen het evangelie. In een samenleving die prat gaat op tolerantie, individuele vrijheid en onbeperkte keuzemogelijkheden is niets absoluut. “Absoluutheid is betekenisloos in een wereld die zich kenmerkt door vloeibaarheid.
Als we de categorie van 'absoluutheid' niet langer honoreren, betekent dat niet dat we trappen in de tegenovergestelde val, die van het relativisme. We geven nu niet ineens de waarheid op. In christelijke zending en in de interreligieuze dialoog staat de waarheid zelfs centraal. Christenen blijven de waarheid die ze vonden in Christus koesteren, en wijden zich aan de communicatie van die waarheid. Niet dat ze zich opwerpen als bezitters van de waarheid die in prachtig geformuleerde, tijdloze leerstellingen is geopenbaard. Integendeel, ze verwijzen nederig naar Christus’ getrouwheid, naar zijn betrouwbaarheid en standvastige liefde. Die levende “waarheid” is de bron van het geloof dat Gods waarheid in Christus te vinden is. Daarom is het antwoord van Jezus’ volgelingen tegelijkertijd ook de missionaire uitnodiging: “Wat dit vraagt is niet zozeer begrip als wel overgave.” (S. Neill, Christian Faith and Other Faiths, 18) Bisschop Lesslie Newbigin stelde het zo: “Getuige zijn [van de nieuwe werkelijkheid in Christus] betekent niet dat je bezitter van de waarheid bent. Het betekent dat je op een weg geplaatst wordt, een weg die je, als je hem volgt, bij de waarheid brengt.” (The Gospel in a Pluralist Society, 12)
Liefde en vrijmoedig vertrouwen
De conclusies van de zendingsconferentie van 1910 en de herdenkingsconferentie van 2010 stemmen overeen wat betreft de missionaire ontmoeting met andere geloven. Edinburgh 1910 sprak de aanbeveling uit dat zendelingen nederigheid, liefde, inlevingsvermogen en verdraagzaamheid combineren met geloof in de “absoluutheid” en “ultieme waarde” van Christus. Edinburgh 2010 vervangt deze terminologie en spreekt over “vrijmoedig vertrouwen in de boodschap van het evangelie”. Dat lijkt mij een gezonde correctie. Tegelijkertijd gaat het om dezelfde twee basishoudingen. Het zijn de twee brandpunten in de ellips van de christelijke zending: toewijding aan Christus en liefde voor anderen, wat voor geloof zij ook aanhangen.
De 'Gemeenschappelijke Oproep' die door de Edinburgh 2010 conferentie werd gepubliceerd, vat deze elementen krachtig samen. “Terwijl we ons het offer van Christus aan het kruis te binnen brengen en zijn opstanding voor de redding van de wereld, terwijl we bekrachtigd weten door de Heilige Geest, worden wij geroepen tot authentieke dialoog, respectvolle omgang en nederig getuigenis onder mensen van andere geloven – en mensen met geen geloof – getuigenis van de uniciteit van Christus. Onze benadering kenmerkt zich door vrijmoedig vertrouwen in de boodschap van het evangelie; het bouwt vriendschappen op, streeft naar verzoening en brengt gastvrijheid in de praktijk.” (Common Call, 2) Zending is dus trouw zijn aan Christus, niet het vermarkten van een religieus product. Zowel Edinburgh 1910 en Edinburgh 2010 herinneren ons hieraan. Het is een welkome herinnering, want de verleiding om orde aan te brengen in het vloeibare religieuze leven, de verleiding om naar marktstrategieën te grijpen is groot.
Literatuur:
Stephen Neill, Christian Faith and Other Faiths: The Christian Dialogue with other Religions, London: Oxford University Press, 1961.
Lesslie Newbigin, The Gospel in a Pluralist Society, London: SPCK, 1989.
World Missionary Conference, 1910, Report of Commission IV: The Missionary Message in Relation to the Non-Christian Religions, Edinburgh and London: Oliphant, Anderson & Ferrier/New York, Chicago, and Toronto: Fleming H. Revell Company, 1910.