| NZR Edinburgh weblog:Commission VI |
|
| Utrecht februari 2011: Wilbert van Saane | |
Het is misschien een ongebruikelijke term: missionaire intelligentie. Maar toch is het een houding die de Bijbel van harte aanbeveelt. Als je er wat over doordenkt, dan kom je terecht bij Kolossenzen 4: 5: ‘Gedraag u wijs tegenover buitenstaanders en benut iedere gelegenheid.’ (NBV) In Efeziërs 5 klinkt dit advies ook: ‘Let dus goed op welke weg u bewandelt, gedraag u niet als dwazen maar als verstandige mensen. Gebruik uw dagen goed, want we leven in een slechte tijd.’ (15 en 16)
De tijd uitkopen
Het Griekse woord voor wijsheid in deze verzen is uiteraard sōphia. Dit woord leidt ons door de onderstromen van de heilige schrift terug tot het hart van God. Daar ontspringt sōphia en daaruit wordt zij onthuld. Helaas lijken zendingsinitiatieven vaak eerder het tegenovergesteld van die goddelijke wijsheid. Vele missionair bewogen christenen missen diepte en worteling in het liefdevolle en ontfermende hart van God. Zending komt soms over als een stuntelige, domme poging om anderen te overtuigen van een achterhaalde waarheid.
De betekenis van de woordcombinatie missionaire intelligentie wordt nog scherper als we horen dat deze verzen uit Kolossenzen en Efeziërs christenen oproepen om bewust met tijd om te springen. Het Griekse origineel gebruikt een beeldspraak uit de handelswereld. Christenen worden opgeroepen tot exagorazō wat betreft de tijd. Dit werkwoord is verwant aan het woord voor markt, agora. De Statenvertaling bewaart deze betekenisklank het best: ‘koopt de bekwame tijd uit’. De herziene Statenvertaling vertaalt: ‘buit de geschikte tijd uit’. Een diepere dimensie wordt zichtbaar als we beseffen dat hier kairos staat voor tijd.
Wat wijze christenen doen is dus allereerst de tekenen van de tijden ‘lezen’. Ze proberen hun cultuur te begrijpen en er mee te communiceren. Ze drinken in wat hun cultuur te bieden heeft, zodat ze in staat zijn om de door God gegeven kansen te benutten. Ze maken onderscheid tussen de altijd maar stromende chrōnos en het unieke moment van kairos. Ze zijn open voor deze speciale kansen die zo snel weer voorbij gaan. En als die momenten zich aandienen, gebruiken ze deze als kostbare buitenkansen die niet verkwist mogen worden. Ze zijn bereid een prijs te betalen, een investering te doen, een offer te brengen, zodat de door God gegeven mogelijkheid optimaal gebruikt wordt.
Mensen met missionaire intelligentie zijn als de Karmelitische zuster Maria Clarencia uit de film Sister Act. Ze is geen echte non, maar een zangeres uit een nachtclub die onderduikt in een klooster, omdat haar gangster-minnaar haar wil liquideren, nadat ze hem een moord heeft zien plegen. Maria Clarencia kent het harde leven van de straat en is dan ook een non tegen wil en dank. Maar als ze een manier vindt om het geestelijke leven van het klooster met het profane leven van San Francisco te verbinden, dan komt het tot toewijding. Ze moedigt haar zusters aan op een positieve manier in de buurt te staan en om geestelijke liederen op een hedendaagse manier te vertolken. Door deze zangeres-zuster raken kerk en buurt bij elkaar betrokken. Een korte scene uit deze film is veelzeggend. Zuster Mary Clarence kijkt uit het raampje van haar cel en ziet de jonge mensen op straat en ze beseft dat ze van hen gescheiden is door een muur, terwijl ze naar hen verlangt. Vanaf dat moment beginnen de dingen te veranderen: voorwaar, een moment van missionaire intelligentie!
Missionaire intelligentie verspreiden
De Edinburgh 1910 conferentie legde de term missionaire intelligentie uit als steun van de ‘thuisbasis’ voor ‘zending overzee’. Missionaire intelligentie was een onvoorwaardelijke steun voor de uitwendige zending. Commissie VI somde een aantal essentiële componenten van deze steun op: allereerst het gebed, daarna een elementair begrip van de principes en werkwijze van de zending, en tenslotte ook de financiële steun.
Commissie VI werkte met een achterhaald en onterecht onderscheid tussen ‘thuisbasis’ en ‘zendingsveld’. De meeste historici die dit rapport becommentariëren zien dat niet over het hoofd. Terecht. Vandaag bestaat er consensus onder zendingsmensen dat de thuisbasis overal is en dat het zendingsveld overal is. Deze kritiek op Commissie VI nemen we over. Maar met het badwater moet niet het kind worden weggegooid. Het ambitieuze programma voor de stimulering van missionaire intelligentie bevat vele relevante aspecten voor de kerk van vandaag.
De leden van deze commissie hadden een breed zicht op de kerk en concludeerden dat de meeste christenen zich helemaal niet betrokken weten bij zending. Dat moet veranderen, vonden ze, want zending is een roeping van de hele kerk. Het is weliswaar zo dat sommige zorgvuldig geselecteerde individuen de bijzondere roeping van (crossculturele) zendeling hebben. Maar toch worden allen geroepen de zending van de kerk in de praktijk te brengen, te steunen, en er voor te bidden.
Als je een bepaalde zaak wilt ondersteunen, dan zul je er ook iets over moeten weten. Daarom is de belangrijkste aanbeveling van Commissie VI de studie van zending. Gewone christenen moeten weten wat zending is en wat het betekent om door God gezonden te zijn. Zendingsstudie is zeker geen intellectualistische hobby. Het is iets waar alle christenen zich voor moeten inzetten – mannen en vrouwen, jong en oud, academisch en praktisch. Instrumenten voor de studie van zending zijn literatuur, tentoonstellingen, conferenties en studiekringen. Als het rapport van Commissie VI honderd jaar later uitgekomen was, zouden daaronder ook de sociale media gerekend worden.
Missionaire intelligentie in Holland
In Holland was het zonder twijfel ir. Jan Willem Gunning J.H.zn. (1885-1922) die voorop liep in het aanwakkeren van zendingsstudie. Ir. Gunning was een neef van de beroemde zendingsdirector dr. J.W. Gunning (1862-1923). In tegenstelling tot zijn oom, was ir. Gunning wel aanwezig op de Edinburghconferentie. Om de Nederlandse zending te voorzien van een brede, stevige inbedding in de hele kerk, richtte ir. Gunning een speciale raad op voor de bevordering van zendingsstudie: de Zendingsstudie-Raad (ZSR, opgericht in 1909). De ZSR zou later, in 1946, geïntegreerd worden in de Nederlandse Zendingsraad. De ZSR was niet bedoeld als een concurrentie voor het propagandistische werk van de zendingsgenootschappen, maar veeleer om het te complementeren. Het doel was om de achterban van de zendingsorganisaties een dieper begrip van het werk en de principes van de zending te geven.
De ZSR zorgde voor netwerken, publiceerde literatuur, organiseerde jaarlijkse conferenties (in Lunteren) en bood tijdelijke tentoonstellingen aan.
Ir. Gunnings belangrijkste bijdrage aan missionaire intelligentie in Nederland is waarschijnlijk het compendium Hedendaagsche Zending in onze Oost (1914). Hierin geeft hij een overzicht over het zendingswerk in Nederlands Indië. Het boek bevat een historische inleiding en een verkenning van het werk van dertien zendingsgenootschappen. Gunning probeert in het boek ook de resultaten van het zendingswerk in kaart te brengen, met name wat betreft het ontstaan van inheemse groepen christenen. Het boek werd in 1935 en in 1943 bijgewerkt door H.D.J. Boissevain, de toenmalige secretaris van de ZSR. Gunnings boek bracht grotere onderlinge waardering tussen de zendingsgenootschappen, en bevorderde een streven naar eenheid en samenwerking.
Een van de sterke kanten van de ZSR was dat het niet slechts een landelijke organisatie bleef, maar dat de raad feitelijk bestond uit allerlei plaatselijke groepen, die ieder hun eigen activiteiten en vriendkringen hadden. De jaarlijkse conferenties gaven de plaatselijke groepen de gelegenheid elkaar te ontmoeten en ideeën uit te wisselen. Zonder twijfel zat Gunnings brein achter deze nationale-locale structuur. Zijn boek was standaardkost voor alle plaatselijke groepen.
Het werk van de ZSR in Holland illustreert hoe het programma van Edinburgh vorm kreeg op het nationale en zelfs het plaatselijke niveau. Een missionaire passie en visie inspireerde een groot aantal jonge mensen tijdens de eerste decennia van de 20e eeuw. Dit schiep een sterk draagvlak voor de zendingsgenootschappen.
Ontbrekende dimensies
Een van de factoren die hedendaagse lezers zal bevreemden is dat het rapport van Commissie VI doordrongen is van een bijna naïef christelijk optimisme. Ook worden kerk en koloniale macht nauw met elkaar verbonden. Geheel in geest van de strategieën van de grote John Mott herhaalt Commissie VI telkens weer dat de kerk in principe in staat is de hele wereld te evangeliseren, als er maar gebruik gemaakt wordt van de beschikbare geestelijke ‘hulpbronnen’. In de meeste gevallen verwijst het rapport dan naar het kruis en de opstanding van Christus en de kracht van het gebed. In sommige gevallen is het echter duidelijk dat met de hulpbronnen de westerse koloniale macht wordt bedoeld. ‘De hulpbronnen van handel en wetenschap staan in dienst van de kerk voor de verkondiging van het evangelie.’ (World Missionary Conference, Report of Commission VI: The Home Base of Missions, Edinburgh, 1910, 270) Later concluderen de commissieleden: ‘De kerk heeft een overweldigende invloed op het leven en de activiteiten van de christelijke landen. Als de hulpbronnen waarover zij beschikt – materieel, mentaal en geestelijk – op de juiste manier geheiligd en ingezet worden, zijn ze afdoende voor de evangelisatie van de gehele wereld.’ (284)
Een anderen verontrustende ontdekking is dat Commissie VI werkt met een nogal oppervlakkige visie op cultuur. Noch de culturen van de ‘thuisbasis’, noch de culturen van de ‘zendingsvelden’ worden zorgvuldig beschreven. De commissieleden lijken er, nogal naïef, van uit te gaan dat de thuisbasis een christelijke cultuur heeft en dat de zendingsvelden moeten worden gekerstend en verwesterd. Dat is immers de onvermijdelijke uitkomst als zending boogt op de ‘hulpbronnen’ die Commissie VI aanbeveelt. Het rapport noemt kort de inheemse zendelingen: zendelingen die in hun eigen cultuur werken. Het voorspelt dat het tijdperk van overzeese zendelingen ten einde komt en plaats zal maken voor het tijdperk van inheemse kerkleiders. (247-8) Het rapport reflecteert echter niet op de wijze waarop het evangelie door deze zendelingen en kerkleiders in de culturen van de jonge kerken wordt verkondigd. De twee volgende wereldzendingsconferenties, die van Jeruzalem in 1928 en Tambaram in 1938, zouden dit goedmaken. Vooral Tambaram sprak vanuit de ervaring van de jonge kerken.
Deze optimistische kijk op de westerse cultuur en de ontbrekende reflectie op de relatie evangelie-cultuur hebben grote gevolgen. Commissie VI roept de kerk - op het thuisfront of op het zendingsveld – niet op tot boetedoening en bekering. Het roept de westerse kerk slechts op haar potentieel beter te gebruiken, zodat het meer mensen kan bekeren in de niet-westerse wereld. Het presenteert een ambitieus programma om de steun voor zending te doen groeien. Maar de geest van gebrokenheid, schuldbelijdenis en nederigheid wordt niet aanbevolen als een cruciaal deel van de missionaire houding. De logica is slechts: missionair werk is zwaar werk aan de frontlijnen en verdient daarom intens en volhardend gebed van velen. (7-8) Achtentwintig jaar, een vreselijke oorlog en een wereldwijde economische crisis later zou de Tambaram conferentie wel doordrongen zijn van deze geest van boetedoening. Hendrik Kraemers boek The Christian Message in a Non-Christian World (1938), dat als voorbereidingsmateriaal voor deze conferentie diende, kan gelezen worden als een hartstochtelijk pleidooi voor bekering en verandering. In 1938 besefte de kerk dat bekering een sine qua non is voor missionaire geloofwaardigheid. Bekering begint bij jezelf. In de koloniale wereld van 1910 moesten de kerken deze les nog leren.
Missionaire intelligentie vandaag
In onze tijd lijkt zending wel een toverwoord. De aversie tegen zending die bestond in sommige delen van de kerk heeft plaats gemaakt voor nieuwe toewijding aan zending. Zending is weer een hoofdzaak. Overal ontwikkeling kerken missionaire strategieën en programma’s.
In dit nieuwe klimaat kan veel geleerd worden van Edinburghs Commissie VI. Deze Commissie formuleert in alle helderheid hoe zending in het hart van het kerkelijke leven en in het hart van alle christenen kan staan. Programma’s voor zendingsstudie zoals Gunning deze in Nederland ontwikkelde laten zien dat Commissie VI geen abstract woordenspel was. Als direct gevolg van de conferentie wisten zendingsleiders de steun van grote delen van de kerk aan zich te binden. Zendingsgenootschappen wonnen aan draagkracht. Mensen voelden zich betrokken bij het werk. Dat is een voorbeeld voor een tijd, waarin zending soms niet meer lijkt dan een poging ter te winnen wat verloren is gegaan. Christenen moeten weten waar het in de zending om gaat en moeten betrokken raken op talloze creatieve manieren!
Commissie VI is ook een waarschuwing voor de kerk vandaag, een soort verbodsbord. Want de kerk vandaag kan het zich niet veroorloven zich boven of buiten culturen te plaatsen, zoals Commissie VI deed. De kerk spreekt vandaag vanuit een andere positie dan in 1910. Het christelijk geloof is niet langer een dominante macht in de samenleving, als dat ooit al het geval is geweest. Christenen weten vandaag waar de apostel het over heeft als hij schrijft over ‘een slechte tijd’.
En hoewel de tijd slecht is, zullen christenen die verlangen naar missionaire intelligentie die put uit de goddelijke wijsheid zich nederig in hun cultuur onderdompelen, met alle mooie en alle lelijke kanten die er aan zitten. Ze zullen alleen van de waarlijk geestelijke ‘hulpbron’ gebruik maken: een levende relatie met de levende God. Ze staan stevig, midden in de snelle stroming van de globaliserende samenleving. Ze luisteren naar de stem van God die hen leidt en hun de ogen opent voor de momenten die benut moeten worden en de tijden die uitgekocht moeten worden.