NZR Edinburgh blog
januari 2010: Wilbert van Saane
   

Commissie I en Gustav Warneck’s waarschuwing

 

Edinburgh 1910

 

‘Hooggeachte heer Mott, Het doet mij diep verdriet dat ik vanwege mijn hoge leeftijd en de ongemakken die dit met zich meebrengt niet op de zendingsconferentie te Edinburgh aanwezig kan zijn.

 

U kunt zich voorstellen hoe diep mijn interesse is in de beraadslagingen van deze conferentie, die zo zorgvuldig is voorbereid en die van kritiek belang is voor de toekomst van de zending, en hoe het voor mij steeds onderwerp van voortdurend en oprecht gebed is dat God deze conferentie zal kronen met zijn rijkste zegen en haar vruchtbaar zal maken voor de uitbreiding en ontwikkeling van zijn koninkrijk in de niet-christelijke wereld.’ (Carrying the Gospel, 434)

 

Dit zijn de openingswoorden van de brief die de grote Duitse missioloog Gustav Warneck stuurde aan John R. Mott, voorzitter van de Wereldzendingsconferentie van Edinburgh 1910. Warneck en Mott kenden en respecteerden elkaar, maar zij hadden enkele diepe missiologische meningsverschillen. Het zal voor Mott geen verrassing geweest zijn dat Warnecks brief vooral zijn zorg verraadde.

 

John Mott had professor Warneck zelfs al eens in Halle opgezocht, waar hij de allereerste academische leerstoel voor missiologie bekleedde. Deze ontmoeting had de spanning tussen hun visies niet weg genomen. Voorafgaand aan de Edinburgh conferentie liet Warneck telkens weer bezorgde geluiden horen over Mott en de Student Volunteer Movement. Mott voorzag hem telkens weer van beleefde maar besliste antwoorden – dit alles in de broederlijke geest die deze brief ook ademt.

 

Ik geloof dat de discussie tussen Warneck en Mott ons bij een fundamentele missiologische spanning brengt die tijdens de Edinburgh conferentie even aan de oppervlakte kwam en die zich nog steeds manifesteert in de praktijk en de theologie van de zending. Ik geloof ook dat deze spanning niet tot controverse hoeft te leiden, maar dat zij juist – mits voorzichtig in balans gehouden – kracht en creativiteit aan christelijke zending kan geven. Wat was dan precies Warnecks essentiële kritiek op de benadering van John Mott en de Edinburgh conferentie?

 

Warnecks brief is opgenomen in het officiële verslag van de Commissie I van de Edinburgh conferentie. Dit rapport draagt de titel Carrying the Gospel to All the Non-Christian World. Deze commissie, het vlaggenschip van de conferentie, werd door Mott zelf voorgezeten en draagt duidelijk zijn stempel. Het rapport bevat een omvattende inventarisatie van zendingsvelden en bespreekt strategieën en methoden voor effectieve evangelisatie van de niet-christelijke wereld, in het bijzonder Azië en Afrika.

Optimisme en urgentie spreken uit bijna iedere pagina van het rapport. ‘Het is vandaag meer dan ooit mogelijk om het evangelie te brengen aan de hele niet-christelijke wereld.’ (Carrying the Gospel, 5) Het leven en de bediening van John Mott waren van diezelfde urgentie doordrongen; zij was krachtig samengevat in de slagzin van de Student Volunteer Movement: ‘de evangelisatie van de wereld in deze generatie’.

 

Juist deze slagzin werd een struikelblok voor Gustav Warneck. Hij had het gevoel dat er een ongeoorloofd activisme en triomfalisme achter stak. Zendingswerk vereist geduld en volharding en geen haast, geloofde hij. Slagzinnen en overhaaste missionaire actie zouden juist contraproductief kunnen werken door een reactie tegen alle vormen van zending op te roepen. In Warnecks visie was zending naar het voorbeeld van de apostelen vooral een zaak van de plaatselijke kerk, van trouw discipelschap. Buitenlandse zendelingen moesten zich daarom eerder richten op het versterken van bestaande christelijke gemeenschappen dan overijld nieuwe gebieden te pionieren.

‘Dogmatische slagzinnen bereiken niets; ze kunnen zelfs kwaad doen; we hebben gemeenten nodig die geestelijk en moreel volwassen zijn, en bovenal locale voorgangers die geestelijk en moreel volwassen zijn. Alleen zo heb je een stevige fundering voor zelfstandigheid.’ (Carrying the Gospel, 435)

Warneck protesteerde ook tegen Edinburghs eenzijdige aandacht voor het doordringen van de hele niet-christelijke wereld. Hij geloofde dat wijsheid en geduld geboden waren.

 

Niet alle landen en alle gebieden waren rijp om christelijke zending te ontvangen. Bovendien, zo betoogde hij, worden de beslissende veldtochten niet altijd gevoerd in nog niet veroverde gebieden; ze zouden juist uitgevochten kunnen worden op plekken waar al concentraties van zendelingen zijn, maar waar het christendom zwak en kwetsbaar is. ‘We hebben geen overvloed aan werkers. Als we hen dan verspreiden vanwege onze voorliefde voor de slagzin ‘bezetting van de hele wereld in deze generatie,’ en zo een weg forceren in landen die heden moeilijk toegankelijk of nog niet rijp voor missie zijn, dan kunnen we zomaar de beste kansen missen, of verliezen we zomaar honderdduizenden aan de islam, terwijl we misschien enkele christenen winnen in een land als Tibet.’ (Carrying the Gospel, 435)

 

Tenslotte bracht Warneck serieuze bezwaren in tegen Edinburghs bundeling op missionaire methoden en strategieën. In zijn letter neemt hij een bijna Barthiaanse positie avant la lettre in door sterk de nadruk te leggen op de genoegzaamheid van het evangelie van Christus. Verscheidene auteurs hebben gewezen op het gebrek aan theologische bezinning tijdens Edinburgh 1910. Er was inderdaad sprake van een bewuste aandacht voor strategie en methode. De organisatoren voorvoelden dat theologische discussie de praktische samenwerking in de weg zou kunnen staan en kozen er voor deze val te vermijden.

 

Het was echter slechts een uitstel van het debat. De onbesproken theologische vraagstukken zouden zichzelf later in de 20e eeuw met veel scherper aandienen. Toen waren de kloven al gegroeid en barstten ernstige controversen los, bijvoorbeeld tussen oecumenische en evangelicale theologen in de jaren 1960 en 1970. Achteraf bezien was Warnecks bezorgdheid dat een eenzijdige accentuering van methode en strategie schadelijk kon zijn profetisch. ‘De belangrijkste bron van onze kracht ligt niet in de methode maar in de boodschap van het evangelie, in de boodschappers die het in de volheid van het geloof verkondigen, en in de christenen die erdoor tot nieuwe schepselen zijn geworden.’ (Carrying the Gospel, 436)

 

De spanning tussen de benaderingen van Mott en Warneck lopen parallel aan de spanning tussen geloofszending die op vrijwilligers leunt en kerkelijke zending die op geestelijkheid leunt. Het is de spanning tussen concentratie op individuele toewijding en het kerstenen van een natie; tussen geografische uitbreiding en verdieping van discipelschap; tussen pionieren en settelen; tussen het eerste deel van de grote opdracht (ga heen en maak discipelen) en het tweede deel van de grote opdracht (leer hen onderhouden). In deze spanning voelen we ook iets van de voortdurende frictie tussen de Amerikaanse missionaire frontier traditie en de continentaal-Europese kerkgerichte traditie.

In heel algemene termen kunnen we stellen dat deze spanning werd geïnstitutionaliseerd toen de oecumenische en de evangelische beweging gescheiden wegen gingen. De evangelicale Lausanne beweging heeft zich vooral gericht op wereld evangelisatie, onbereikte groepen mensen, bijbelvertaling, kerkplanting en strategische samenwerking. Oecumenische organisaties hebben zich ingezet voor gelijkheid in de wereldkerk, vrede en gerechtigheid en andere wegen om de samenleving te transformeren in het licht van Gods koninkrijk. Als we de agenda’s voor de Edinburgh conferentie en Lausanne III in Kaapstad vergelijken, dan krijgen we het gevoel dat er nog steeds een kern van waarheid in deze stereotypen zit.

 

Gelukkig zijn de scheidingen tussen evangelicale en oecumenische christenen verre van waterdicht. Evangelisatie is altijd een belangrijk punt gebleven voor oecumenische christenen en verantwoordelijk discipelschap heeft altijd plaats gehouden in de gedachten van evangelicalen. Bovendien lijkt een groot deel van de christenheid in het globale zuiden de tweespalt evangelicaal-oecumenisch achter zich te laten doordat zij op heel natuurlijke wijze kiezen voor zending die getuigt door dienstbaarheid en die dienstbaar is door getuigenis. Het is mijn hoop dat de viering van het eeuwfeest van de wereldzendingsconferentie christenen wereldwijd zal uitdagen om de vele gezichten van de zending te waarderen. De verschillende accenten van Mott en Warneck zijn beide legitiem. Samen geven zij missie die creatieve spanning die ons helpt in balans te blijven en die ons zowel geloofwaardigheid als overtuigingskracht schenkt.

 

Utrecht, 6 januari 2010
Wilbert van Saane

 

Aanbevolen literatuur:
  • Hans Kasdorf, “The Legacy of Gustav Warneck,” Occasional Bulletin of Missionary Research 7 (1980), 102-7.
  • David A. Kerr and Kenneth R. Ross, eds., Edinburgh 2010: Mission Then and Now. Pasadena. Ca.: William Carey International University Press, 2009
  • Kenneth R. Ross, Edinburgh 2010: Springboard for Mission. Pasadena, Ca.: William Carey International University Press, 2009.
  • Timothy Yates, Christian Mission in the Twentieth Century. Cambridge: Cambridge University Press, 1994.
  • World Missionary Conference, 1910, Report of Commission I: Carrying the Gospel to All the Non-Christian World. Edinburgh and London: Oliphant,
  • Anderson & Ferrier/New York, Chicago, and Toronto: Fleming H. Revell Company, 1910.