| NZR Edinburgh blog |
|
| juni 2010: Wilbert van Saane | |
Zending, educatie en inculturatie
Zendelingen zijn onderwijzers in hart en nieren. Geen wonder: Jezus zelf wijdde een groot deel van zijn tijd aan onderwijs en hij instrueerde zijn volgelingen om hetzelfde te doen (Mt. 28: 20). Onderwijs is een integraal onderdeel van zending, net zoals discipelen maken en dopen. Daarom zijn christenen vanzelfsprekend met educatie bezig.
In de moderne westerse zendingsbeweging stond educatie hoog op de prioriteitenlijst. Deze beweging heeft talloze scholen en universiteiten voortgebracht, met name in koloniën van de westerse landen. Deze instituten waren vaak westerse enclaves in de niet-westerse wereld, en dat is vaak nog steeds het geval. Zelfs als ze niet langer expliciet religieuze scholen zijn, dan volgen ze toch nog steeds de patronen van westers onderwijs. De keuze van de onderwerpen, de wijze van doceren, de indeling van klaslokalen: het verraadt allemaal de invloed van de Europese en Amerikaanse modellen.
Een voorbeeld: de Amerikaanse Universiteit van Beiroet
De Amerikaanse Universiteit van Beiroet (AUB) begon ooit onder de naam Syrian Protestant College. De geschiedenis van dit instituut is karakteristiek voor scholen opgericht door zendelingen. De AUB werd in 1866 opgericht door Amerikaanse zendelingen met behulp van gelden van westerse sponsors. De zendelingen gingen tegen de wensen van hun zendingsgenootschap in, en in het bijzonder tegen de wensen van de beroemde secretaris van dat genootschap, Rufus Anderson. Anderson vond dat het beheren van een opleidingsinstituut voor algemeen hoger onderwijs niet hoorde bij de roeping van crossculturele zending. Maar ondanks zijn protest hield hij de oprichting niet tegen. Al snel bleek het Syrian Protestant College een opmerkelijk succes, niet alleen academisch, maar ook missionair. Tot diep in de jaren 1950 hadden de zendelingen hun invloed op de studenten door middel van de kapeldiensten en andere christelijke activiteiten. Vandaag is AUB een van de leidende universiteiten in het Midden-Oosten en dient het als een poort tussen het Midden-Oosten en het westen.
Inculturatie is een controversieel thema dat telkens terugkeert in de vroege geschiedenis van de AUB. De discussie kristalliseerde vooral uit in de discussie over de voertaal. In welke taal moest er les gegeven worden, in het Engels of in het Arabisch? In het eerste decennium gaven de Amerikaanse zendelingen sterk de voorkeur aan het Arabisch. Mensen als Cornelius van Dyck, op wiens conto de vertaling van een Arabische Bijbel wordt gezet, werkten hard aan de vertaling van allerlei academisch materiaal in het Arabisch. Samen met hun team van Arabische docenten trainden zij een generatie veelbelovende jonge mensen die leiding zouden geven aan de Arabische culturele renaissance van de laat 19e en vroeg 20e eeuw, de zogenaamde Nahda. Deze jonge mannen en vrouwen zouden ook een belangrijke impuls geven aan het nieuwe Arabische nationalistische bewustzijn dat uiteindelijk zou leiden tot onafhankelijkheidsbewegingen door de hele Arabische wereld. Maar rond 1890 kwam er een nieuwe generatie Amerikaanse zendelingen naar het veld die het Arabisch minder beheersten dan hun illustere voorgangers. De Engelse taal verdrong het Arabisch van de campus en AUB zou nooit meer die rijke bijdrage aan de Arabische cultuur hebben die het instituut had in de eerste jaren.
Bekeerlingen van hun culturen vervreemden
Missie-scholen op andere plaatsen maakten vergelijkbare ontwikkelingen door. In 1910 waren de afgevaardigden naar de Edinburgh conferentie zich pijnlijk bewust dat de meeste scholen niet in staat waren om de ‘vreemdheid’ van zich af te schudden. Met behulp van een enorme hoeveelheid rapportages van correspondenten in Azië en Afrika, identificeerden de leden van Commission III dit dan ook als de grootste zwakheid van educatie op het zendingsveld.
“There has been a tendency, especially in certain lands and districts, to denationalize converts, that is, to alienate them from the life and sympathies of their fellow-countrymen, so as to make it possible to suggest that Christianity is a foreign influence, tending to alienate its converts from the national life. This has been due in part of the large place held by the English language and by British and American methods in missionary education.” (World Missionary Conference, Report of Commission III: Education in Relation to the Christianisation of National Life, Edinburgh and London: Oliphant, Anderson & Ferrier, 1910, p. 6)
Honderd jaar later onderstreept M.P. Joseph deze conclusie van de Edinburgh conferentie nog eens. Hij schrijft vanuit een Aziatisch perspectief: ‘De taal is het medium van de sociale realiteit waarin iemand leeft. Daarom was vervreemding van het sociale zelf het onvermijdelijke resultaat van het opdringen van een andere taal – Engels – door middel van missionaire educatie.’ (M.P. Joseph, “Missionary Education: An Ambiguous Legacy,” in: Kenneth R. Ross and David A. Kerr, Edinburgh 2010: Mission Then and Now, Oxford: Regnum Books and Carlisle: Paternoster Press, 2009, p. 112)
Zending en educatie in het tijdperk van wereldchristendom
Vandaag bevinden we ons in een nieuwe situatie. Westerse kerken hebben de grip verloren op de instituten die zij ooit oprichtten. Over ter wereld hebben de golven van secularisatie en dekolonisatie het educatieve landschap drastisch veranderd. Waar scholen en universiteiten niet religieus neutraal werden, zoals in het geval van de Amerikaanse Universiteit van Beiroet, namen locale kerken vaak het beheer op zich. Dat betekent niet dat het missionaire, crossculturele element uit opleidingen verdwenen is. Integendeel! Bijdragen van ‘buitenlandse’ docenten groeien overal, niet alleen in het zuiden, maar ook in de westerse wereld. Christelijke scholen liggen in dit opzicht vaak een straatlengte voor op de kerk, die op veel plaatsen in culturele segregatie blijft hangen. Theologische opleidingen lopen vaak voorop in het uitwisselen van docenten over de grenzen van culturen. Maar ook op het niveau van basis- en voortgezet onderwijs wordt interculturele uitwisseling steeds meer gemeengoed, in wat voor vorm dan ook. Het denken over de relatie tussen zending en educatie is in deze nieuwe situatie verschoven. Edinburgh Commission III hoopte al op deze verschuiving. Vandaag beseffen christenen dat de verantwoordelijkheid voor educatie in de eerste plaats ligt bij de locale en de nationale kerk. Locale gemeenten kunnen natuurlijk ondersteuning vragen van christenen uit andere delen van de wereld. Maar toch zijn zij het die hun cultuur en hun volk het beste begrijpen. Daarom zijn zij het die het beste kunnen inschatten wat de missie van de kerk is ten aanzien van educatie in hun context.
We moeten zo eerlijk zijn om toe te geven dat dit het missiologische ideaal is, maar dat in de praktijk patronen van afhankelijkheid vaak voortbestaan. Zelfs een geseculariseerd instituut als de Amerikaanse Universiteit van Beiroet is tot nog toe niet in staat geweest om westerse dominantie te doorbreken en om daar inculturatie voor in de plaats te stellen. Hetzelfde geldt voor menige christelijke school, seminarium of universiteit in de niet-westerse wereld. Zelfs als het beheer geheel in locale handen is, dan weerspiegelt de cultuur van de school vaak nog meer affiniteit met de Amerikaanse en Europese cultuur dan met de cultuur van de studenten en docenten.
Globalisering of inculturatie?
Sommige denkers zullen hier op antwoorden dat de terugval op westerse patronen een natuurlijke neiging is in een globaliserende wereld, waarin Engels het nieuwe Latijn is. Ze suggereren dat we in een context van globalisering niet nostalgisch mogen doen over culturele tradities, omdat globalisering het concept cultuur juist erodeert. Daarom is een focus op inculturatie in educatie, in hun perspectief, niet alleen archaïsch, maar kan het zelfs een gemeenschap benadelen, omdat het die gemeenschap minder in aanraking brengt met de globale cultuur.
Ondanks zulke overwegingen benadrukken anderen het blijvende belang van inculturatie. In hun redenering halen ze de eigenheid van iedere cultuur naar voren. Iedere cultuur is uniek en hoort bij een bepaalde groep mensen op een bepaalde plek. Ondanks de grote invloed van globalisering, spreekt het christendom tot mensen in hun unieke cultuur. Als mensen het christelijke geloof aanvaarden, dan doen ze dat alleen als het een christelijk geloof is dat toegesneden is op de concepten en gewoonten van hun cultuur.
Terwijl tegenstanders van inculturatie wijzen op de internationale, globale aspecten van het leven, vinden de verdedigers van inculturatie dat het locale een blijvende betekenis heeft. Ik vermoed dat, zoals zo vaak, de waarheid in het midden ligt. Christelijke gemeenschappen kunnen zich niet permitteren om de locale cultuur of de wereldwijde betrokkenheid te verwaarlozen. Deze beide aspecten zijn onlosmakelijk verbonden in het leven in de 21e eeuw. Mensen zijn wereldburgers geworden. Maar terwijl hun horizon zich verbreedt voelen ze een drang om hun eigen culturele uniciteit te articuleren. Die unieke punten krijgen reliëf in de ontmoeting met andere culturen. Daarom is het belangrijk dat christelijke gemeenschappen die de christelijke boodschap verkondigen gevoelig zijn voor beide aspecten. Aan de ene kant onderstrepen ze dat het christelijke geloof een universeel geloof is en aan de andere kant benadrukken ze het heel particuliere er van. Christus is tegelijkertijd Heer van de wereld en mijn persoonlijke Meester.
In christelijke educatie komt die mix van wereldwijde betrokkenheid en locale banden dicht aan de oppervlakte. Want christelijke educatie helpt (jonge) mensen te begrijpen waar het om gaat in hun traditie, hun identiteit en hun hoop voor de toekomst. Het helpt mensen verantwoordelijkheid te nemen voor zichzelf, voor hun families, voor hun gemeenschap, voor hun samenleving als geheel, en zelfs voor de toekomst van de wereld. Het christelijk geloof onderwijst mensen die verantwoordelijkheid in de voetsporen van Christus toe te passen, op het globale en het locale niveau, en al die niveaus die daar tussen liggen.
Dit commitment aan zowel de globale als de locale context betekent dat christenen zich zullen verzetten tegen een geleidelijke verdringing van locale talen ten gunste van het Engels. Tegelijkertijd zullen ze er voor waken dat hun gemeenschappen in zichzelf keren en het internationale gesprek niet langer zoeken.
Modellen van inculturatie voor educatie
Wat nog overblijft is de vraag: hoe geven christelijke gemeenschappen hun missionaire roeping vorm met het oog op educatie vandaag? De conferentie van Edinburgh 1910 suggereert vier modellen van zending in en door opleidingen. Het eerste model is educatie dat alleen een evangelisatorisch doel dient. In dit model staat de school geheel in dienst van het onderricht in het christelijke geloof. Het tweede model – het opbouw model – richt zich op de opbouw van de christelijke gemeenschap in een bepaalde regio. De logica hier is dat het verhogen van het opleidingsniveau een gemeenschap vanzelf versterkt. Het derde model is het gist model. Door middel van christelijke presentie in het onderwijs wordt het leven van een volk geleidelijk doordrongen van christelijke principes. In het laatste model staat educatie in dienst van het algemene welzijn van een samenleving. Je zou dit model educatie omwille van zichzelf kunnen noemen. (Report of Commission III, 369-71)
Commission III beveelt de modellen 1 en 2 als de meest belangrijke modellen aan. Ik vermoed dat de meeste christenen vandaag liever de nadruk leggen op de modellen 3 en 4. Maar toch kunnen we het eerste en het tweede model niet zomaar afschrijven. Onderwijs in dienst van evangelisatie is niet noodzakelijkerwijs agressief en arrogant, als evangelisatie begrepen wordt als een vreedzame activiteit die menselijke vrijheid waarborgt. En onderwijs met het oog op empowerment van een christelijke gemeenschap is nog steeds heel urgent op plaatsen waar christenen gemarginaliseerd en uitgebuit worden. Denk maar eens aan situaties waarin christenen kastelozen zijn of ten prooi vallen aan moderne slavernij. Als religieus onderwijs deze gemeenschappen niet steunt, dan verliest het geloof voor hen de relevantie.
De mate waarin elk van deze modellen geïmplementeerd wordt hangt dus af van de locale situatie. Maar de rode draad die door alle contexten heen loopt is dat een missionaire kerk onderwijs hoog in het vaandel heeft, omdat het gaat om het menselijke leven dat een constant leerproces is. Een missionaire kerk is toegewijd aan onderwijs om ze toegewijd is aan Christus die de grootste Leermeester is van de gemeenschap van christenen wereldwijd.