NZR Edinburgh weblog:Commission V
Utrecht November 2010: Wilbert van Saane

 

 

 

Missionaire training in de spiegel van Edinburgh 1910

 

 


Er zijn veranderingen op til in het veld van de missionaire training hier in Nederland.

 

Het oudste opleidingsinstituut voor zendelingen, het Hendrik Kraemer Instituut, heeft het cursusaanbod tijdelijk stopgezet. Hoewel de Protestantse Kerk in Nederland een doorstart van de zendingsschool overweegt, is deze tijdelijke sluiting toch het einde van een tijdperk. Decennia lang was ‘Oegstgeest’ – en sinds 1999 Utrecht – een onvermijdelijk tussenstation voor Nederlandse zendelingen die zich voorbereiden op of terugkeerden van een uitzending. Het Hendrik Kraemer Instituut was een schatkamer voor Indonesië-studies met een bibliotheek vol informatie over zending en culturele antropologie.

 

Tegelijkertijd komen allerlei nieuwe, bruisende initiatieven op. Zowel evangelische als reformatorische pioniers ontwikkelen nieuwe methoden voor voorbereiding en debriefing. Sommigen onder hen geloven dat missionaire training moet beginnen in de missionaire praxis, en wel in de eigen, Hollandse context. Zij bieden in-service training aan. Anderen brengen (aanstaande) zendelingen samen voor retraites. Weer anderen geven een nieuwe structuur aan de curricula van theologische instituten. Ze bieden afstudeertrajecten in kerkplanting en contextuele of cross-culturele theologie aan. Laat al die bloemen maar bloeien, want zending is veranderd en missionaire training  vraagt om een nieuwe, creatieve aanpak. We zitten momenteel in een gistingsproces waaruit ongetwijfeld iets moois zal verschijnen.

 

 

In het zoeken naar nieuwe structuren doen kerk en zending er goed aan terug te kijken en van het verleden te leren. Wij zijn tenslotte niet de eersten die nadenken over missionaire training in een overgangsperiode. Honderd jaar geleden, tijdens de wereldzendingsconferentie in Edinburgh, was dit een prominent agendapunt. Commissie V was zelfs geheel gewijd aan een breedvoerig onderzoek naar de beschikbare missionaire training van die tijd. Op basis van de verzamelde informatie gaf deze commissie aanbevelingen voor de toekomst. Net zoals veel zendingsmensen vandaag hadden de leden van deze Commissie toen het gevoel dat de oude paradigma’s niet langer voldeden en dat een nieuwe benadering van missionaire training hard nodig was.

 

Het zendelingschap aller gelovigen

 

Voordat ik de bevindingen van Commissie V in meer detail bespreek, wil ik één ding heel duidelijk stellen. Als ik spreek over ‘zending’ dan verwijs ik niet alleen naar wat ver weg gebeurt, op barbaarse plaatsen zonder christelijke presentie. Zending gebeurt overal en altijd, ook hier om mij heen! De deelnemers aan Edinburgh 1910 zagen dat nog niet helder voor zich, omdat zij leefden op het hoogtepunt van het westerse kolonialisme. Ze deelden de wereld nog in twee delen: een christelijk en een niet-christelijk deel. Missionaire training ging voor hen daarom uitsluitend over de opleiding van predikanten, artsen, verpleegkundigen en docenten die zich voorbereidden op een lang verblijf in de niet-christelijke landen in Azië, Afrika of Latijns Amerika. Zij kenschetsten het ‘gewone’ leven thuis in Europa of Noord-Amerika niet als een missionair leven.

 

Wie zou vandaag nog durven beweren dat het westen christelijk is, terwijl de rest van de wereld dat niet is? Vrijwel alle zendingsmensen erkennen dat de thuisbasis en het zendingsveld in principe overal in de wereld kunnen liggen. Christenen zijn geroepen om in ieder land en in iedere cultuur te leven als gezondenen. Dat besef is fundamenteel voor ons denken over missionaire training.

 

De missionaire roeping is daarom niet langer beperkt tot een kleine kring enthousiastelingen. Alle christenen hebben een missionaire roeping. In analogie met het priesterschap van alle gelovigen, kunnen we spreken over het zendelingschap van alle gelovigen. Alle christenen zouden getraind moeten worden voor dat essentiële deel van hun christelijke leven: missionair-zijn. Gelukkig wordt de missionaire ecclesiologie een steeds belangrijker thema voor theologische instituten en Bijbelscholen. Zo heeft Bijbelschool ‘De Wittenberg’ de opleiding opnieuw gestructureerd met het oog op het vormen van culturele gevoeligheid en een levenslange missionaire attitude. Diverse theologische faculteiten ontwikkelen zich in de richting van een meer contextueel begrip van theologie, en een meer contextuele toepassing.

 

Echter, zoals het priesterschap aller gelovigen niet betekent dat predikanten en priesters overbodig worden, zo sluit het zendelingschap aller gelovigen ook niet uit dat sommigen een bijzondere roeping hebben om als zendeling te dienen. Zij zijn individuen die dienen als oecumenische, cross-culturele ambassadeurs van het evangelie. Ze gaan voor in het werk van evangelisatie, ze herinneren de kerk aan haar missionaire karakter en ze helpen christenen om over de grenzen van de eigen kerk en de eigen cultuur heen te kijken. Deze zendelingen verdienen een gedegen vorming om aan hun bijzondere roeping gestalte te geven.  Op die vorming richting we ons nu in het bijzonder.

 

Het gewicht van de westerse beschaving

 

Aan het begin van de 20e eeuw stond missionaire training nog stevig gemetseld op de fundering van het christendom-paradigma. Hoewel de denkers van Commissie V zich niet aan dit paradigma konden ontworstelen, waren ze zich toch bewust van de dominantie van de westerse wereld. Ze waren er ook kritisch over: ‘De invloed van de zendeling en de koopman hebben de landen van het christendom op zodanige wijze verbonden met die twee grote continenten [Afrika en Azië], dat het hele gewicht van de westerse samenleving op hen drukt met onmetelijke en toenemende kracht.’ (Report of Commission V, 5)

 

De verspreiding van de westerse onderwijsstijl was de grootste zorg van de commissieleden. Ze beseften dat dit de niet-westerse samenlevingen voor altijd zou veranderen. Waar ze nog het meeste van wakker lagen was dat de kerk de controle en het alleenrecht in het hoger onderwijs verloor. Als gevolg daarvan waren het niet alleen de zendingsscholen die de elite van de samenleving onder hun hoede kregen. De commissieleden erkenden de opkomst van een nieuwe, seculiere elite op de zendingsvelden. Het waren deze nieuwe opinieleiders met hun seculiere nationalisme die de koloniale landen nieuwe richting gaven. Zouden de zendelingen dan nog steeds in staat zijn deze opkomende, industriële samenlevingen te ‘kerstenen’?

De zendelingen kregen te maken met een nieuwe werkelijkheid op het zendingsveld.

 

Het kolonialisme dwong steeds meer mensen vanuit hun traditionele handwerk naar het werk  in de mijnen, de fabrieken of aan de spoorwegen. ‘Zo verschuift hun hele levenshouding en daarmee de religieuze betekenis die ze aan het leven geven.’ (8) Commissie V spreekt verontwaardigd van de ‘schandelijke’ sloppenwijken die als bijproduct van de industrialisatie uit de grond schoten. Het probleem was dat zendelingen gemakkelijk vereenzelvigd werden met de nieuwe krachten die de vrede en het traditionele leven in de koloniën vernietigden. De mensen konden zich gemakkelijk tegen de zending keren. ‘Hij [de zendeling] moet daarom bewijzen dat hij hen kan helpen om een beter en rijker sociaal leven te vinden.’ (9)

 

De commissieleden waren diep onder de indruk van deze enorme uitdagingen en beseften dat het niet de westerse zendingsgenootschappen, maar de plaatselijke kerken waren die de zending verder moesten dragen. ‘Te midden van dit alles is de hoop en het doel van al ons werk in vele landen al verschenen in de vorm van een inheemse kerk. In de toekomst zal die kerk het werk moeten volbrengen.’ (11) Commissie V erkent dat de onafhankelijkheid van de kerk ‘op het zendingsveld’ de sine qua non is voor het missionaire getuigenis.

 

De schouders er onder

 

Helaas trokken de commissieleden de consequenties voor missionaire training niet. Hun hoop voor de evangelisatie van de niet-christelijke wereld bleef gevestigd op de westerse zendelingen. In het hele rapport hebben ze westerse missionaire actors in gedachten, geen Afrikaanse of Aziatische christenen. Ze benadrukken de kwaliteit van missionaire scholing, zodat goed gekwalificeerd missionair personeel ‘er de schouders onder kan zetten’.

Uit die voortdurende fixatie op westerse zendelingen blijkt dat ze drie vooroordelen hadden; vooroordelen die ook blijken uit de etnische, culturele en kerkelijke samenstelling van de conferentiedeelnemers. Het eerste vooroordeel was cultureel. De deelnemers aan Edinburgh 1910 gingen heel ver in hun waardering van andere culturen, maar toch geloofden de meesten dat de westerse cultuur superieur was omdat het een christelijke cultuur was. Daarom was het voor hen evident dat een westerse zendeling de aangewezen persoon was om het evangelie te verspreiden.

 

Het tweede vooroordeel had te maken met hun visie op de ‘zendende’ en de ‘ontvangende kerken’. De zendende kerk was in hun ogen de primaire missionaire actor. Hoewel ze de missionaire kracht van de ‘inheemse kerken’ begonnen te ontdekken, waren ze toch niet in staat om te zien dat de dominantie van westerse zendelingen deze kracht vaak eerder inperkte dan stimuleerde.

 

Het derde probleem lag dieper, op het geestelijke niveau. De spiritualiteit van Edinburgh 1910 was een spiritualiteit van actie. John Mott, de drijvende kracht achter de conferentie, belichaamde dit. Zijn leven lang reisde hij de wereld over. Zending was voor hem een strijd die gewonnen zou worden door de mobilisatie van zo veel mogelijk ‘troepen’. Edinburgh richtte zich dan ook op de ‘onvolbrachte taak’. Geen wonder dat de aanbevelingen voor missionaire training onderstreepten dat alleen uitstekende kandidaten voor zendingswerk in aanmerking kwamen! Dit leidde de aandacht echter af van ‘gewone’ christenen in de niet-christelijke wereld en de missionaire impact die zij hadden op hun omgeving. Edinburgh nam echter geen genoegen met middelmatigheid. Dat lijkt een heel christelijk principe.

 

Maar de zendingsgeschiedenis wijst uit dat het evangelie zich het krachtigst verspreid door ‘normale’ christenen die zich in hun dagelijkse leven door het evangelie laten leiden.

 

Een nieuwe balans in missonaire training

 

In de spiegel van Edinburgh 1910 ontdekken we dat onze tijd vraagt om een nieuwe aanpak van de vorming voor zending. Ten eerste beseffen we dat het vandaag multicultureel van karakter moet zijn. Het zendingsveld ligt overal, de thuisbasis is overal. Hedendaagse missionaire vorming richt zich daarom niet exclusief op ‘de tropen’, maar leidt zendelingen op voor Nederland, voor Europa en voor andere plaatsen in de wereld. Het is zich bewust van de verscheidene culturen binnen eigen land en binnen andere landen en levert een daarop toegesneden aanbod. Het traint kandidaat-zendelingen uit alle culturen! Dat betekent dat het niet alleen ‘uitgaande’ maar ook ‘inkomende’ zendelingen ontvangt!

 

Ten tweede is missionaire training vandaag radicaal oecumenisch. Het erkent de plaatselijke kerk als Gods kerk. Zendelingen gezonden naar een bepaald gebied en een bepaalde cultuur laten zich leiden en verder vormen door de locale, inheemse kerk. In plaats van alleen de zendende kerk te vertegenwoordigen, dienen ze de kerk-in-context. De agenda van de zendende kerk mag daarom ook niet die van de ontvangende kerk verdringen.

 

Radicaal oecumenisch zijn betekent ook dat missionaire training het beste georganiseerd kan worden door kerken en zendingsorganisaties samen. In Nederland gaat die samenwerking terug tot 1905, toen de verschillende zendingscorporaties besloten om samen de verantwoordelijkheid voor de (toen reeds bestaande) zendingsschool te nemen. De school is sindsdien altijd een ‘huis’ gebleven waarin mensen uit verschillende denominaties samen leefden, van elkaar leerden en samen nadachten over wat het betekent om een zendeling te zijn. Het oecumenische karakter was een belangrijk ingrediënt dat de openheid waarborgde die zo nodig is voor zendingswerk. Nu leiders van kerken en zendingsorganisaties weer nadenken over missionaire training, kunnen ze dat het beste samen doen, en daarbij geen denominatie of etnische kerk buiten sluiten.

 

In de derde plaats moet herbezinning op missionaire training gebaseerd zijn op diepe geestelijke reflectie. Want missionaire training is uiteindelijk geestelijke vorming. Hoewel wij grote achting hebben voor de spiritualiteit van actie, waarvan Edinburgh 1910 zo doordrongen was, heeft de 20e eeuw ons geleerd minder te denken in programma’s en meer ruimte te geven aan Gods zending die doorbreekt op onverwachte plaatsen, vaak onder hen die het kwetsbaarst, het armst en het meest ontworteld zijn. Ik geloof dat het vandaag vooral om een evenwichtige eschatologie gaat. Er is een ‘nog niet’ in het christelijke geloof, maar het ‘reeds’ mag niet ondersneeuwen, vooral bij actiegerichte mensen als zendelingen. Natuurlijk is er een onvolbrachte taak. Maar Christus heeft ook gezegd ‘het is volbracht’. Dat vertrouwen in de missie van God, volbracht in het leven van Christus, en te voltooien als Christus wederkomt, dat moet de kern van missionaire vorming vandaag zijn. Dat is de basis van de roeping van de hele kerk tot zending en van individuen tot de bijzondere bediening van zendeling.

 

De roeping van een zendeling

 

Missionaire training in een tijd van globalisering is anders dan missionaire training binnen de kaders van het ‘christendom’. Commissie V laat ons vooral zien hoe we missionaire training vandaag niet willen inrichten. Toch is er veel te leren van de afgevaardigden die samenkwamen tijdens Edinburgh 1910. Hun nadruk op hoog gekwalificeerde zendelingen kwam voort uit een passie voor het evangelie en een passie voor mensen. Niet alle zendingsorganisaties laten zich vandaag leiden door die diepe zorg voor kwaliteit.

 

Een ander punt dat de leden van Commissie V onderstreepten, maar dat in de loop van de 20e uitgehold is, is het specifieke karakter van de roeping. Het is, zoals gezegd, een bijzondere roeping om zendeling te worden. Niet iedereen ontvangt die roeping. Hoewel wij de algemene missionaire roeping van iedere christen erkennen, moeten we niet vergeten dat niet iedereen thuis is in het de bediening van de zendeling, in de enge zin van het woord. Niet iedereen is geschikt voor het leven en het werken in een andere cultuur. Niet iedereen kan een oecumenische ambassadeur zijn. Selectieprocedures moeten daarop ingericht zijn. Ook moeten zendingsorganisaties zich afvragen hoe zij afgewezen kandidaten kunnen helpen om elders dienstbaar te zijn.

 

Hier liggen nog tal van vragen die om overdenking roepen. Hoe verhouden korte-termijn uitzendingen zich tot lange-termijn zendingsbedieningen? Hoe gaan de kerken om met hun ‘uitgaande’ en met hun ‘inkomende’ zendelingen? Hoe kunnen zendelingen kerken helpen om meer culturele gevoeligheid te ontwikkelen? Het is een flinke agenda. Waar zou die beter behandeld kunnen worden dan binnen een oecumenische trainingsschool voor zendelingen, gezamenlijk gedragen door kerken en zendingsorganisaties?