Nieuwsbrief maart 2010

 

 

Talenten van God

Bij Matteüs 25: 14-30

 

Het voorbeeldverhaal van Jezus dat we kennen als de gelijkenis van de talenten, is een overbekend, maar naar mijn idee al te vaak niet goed begrepen en gelezen gelijkenis. Het steekt altijd nauw met de vertaling, maar zeker hier. En met name het verschil tussen onze vermogens (“naar wat je aankunt”), en dat wat wij zien als begaafdheid of aanleg, en geld. Dat speelt allemaal een rol in deze gelijkenis.

 

In de gelijkenis staat “talent” vooral als uitdrukking voor iets dat heel kostbaar is. En als we het goed hebben gelezen wordt met het woord “talent” uitgedrukt het kostbare bezit van de heer die voor een tijd het land uit gaat. Met “talent” wordt dus niet uitgedrukt de dingen waar wij goed in zijn, onze begaafdheid of aanleg, die we ook wel aanduiden met het woord talent. Tussen die twee betekenissen van het woord “talent” moeten we onderscheid maken. In deze gelijkenis heeft “talent” alles te maken met het kostbare bezit van de heer.

 

De tekst geeft dit verschil zelf ook nadrukkelijk aan. Want ieder ontvangt iets van het kostbare bezit van de heer, “naar wat ieder aan kon” (vers 15), of zoals Thom Naastenpad vertaalde -iedere naar het eigen kunnen, of zoals vertaald staat in de Naardense Bijbel - aan elk naar zijn vermogen.
En dat is het mooie van deze gelijkenis dat niemand overvraagd wordt, als het gaat om het beheren van de bezittingen van de heer.

 

In de handen van degene die 1 talent ontvangt wordt het bezit van de heer “geld”. Ook wel genoemd het meest onbetrouwbare wat onder mensen gangbaar is: een ruilmiddel in de handel, een machtsmiddel ook om genadeloos over anderen te heersen. En als het met het geld niet goed gaat, noemen we dat dan ook gelijk een crisis.

 

In deze gelijkenis moeten we, als het om bezit van die heer gaat,  juist niet denken aan onze begaafdheid of aanleg, en ook niet aan geld! We moeten onszelf dan de vraag stellen wat het dan wel is. Wat is voor God zo kostbaar dat Jezus dat aanduidt als talent, als iets zeer kostbaars? Wat we kunnen zeggen is dat het iets is dat nauw verbonden is met die heer zelf, met God. En is het meest kostbare niet de ontferming van God over deze wereld.

 

Ontferming kun je niet verbergen, kun je niet begraven, kun je niet verdonkeremanen. En ontferming heeft alles te maken met liefde, met verzoening, met vrede, met gerechtigheid en heelheid. Degene die 5 talenten ontving, werkt, doet er iets mee. En ook die 2 talenten ontving. En is gedeelde ontferming niet dubbele ontferming? We kunnen wellicht ook constateren dat wie ontferming ontvangt, en wie er van hoort, niet langer leeft voor zichzelf alleen. Het gaat van hand tot hand, en van mond tot mond.

 

In de handen van die 1 talent ontving bleef het een vreemd ding, het maakte geen deel uit van zijn bestaan. Het werd eerder een hinderpaal. En uit angst, want dat brengt het bij hem teweeg, begroef hij het. Zoals mensen soms doen, om het te bewaren, zodat anderen het niet kunnen afnemen. Het geheim van deze gelijkenis schuilt in de kracht van die talenten, en niet in de mogelijke verdiensten of vermogens, aanleg of begaafdheid van de knechten. Het zijn de talenten die het doen.

 

Ik zie ons werk als NZR als iets dat ons in handen is gelegd, dat kostbaar is, het kostbare bezit van God waarmee wij mogen werken. We werken daarin op onze eigen manier, naar ons eigen vermogen. Daar is helemaal niets mis mee. Dat is zelfs mooi om te zien, de veelkleurigheid er van, en dat wat het teweeg brengt. We hebben als kerken en aangesloten zendingsorganisaties iets kostbaars in handen, en als NZR kunnen we wellicht stimuleren, delen, kritisch bekijken, niet als waakhond, maar als aanjager van waar het in het Koninkrijk van God om gaat, waar het God om gaat. Dan zal er vast zegen op rusten.

 

Henk Makkinga, voorzitter van de Nederlandse Zendingsraad