In dit nummer:
Ter introductie
Kernonderwerpen Raad 2006
Column M. Frederiks
Uit het werk
Agenda AKO
Presentatie Wycliffe
Wat doet de NZR
De Gang, kunst in de doopsgezinde kerk
Kantoortijden
Afmelden
Nederlandse Zendingsraad
Jaargang 1, nr. 0
november 2005
   
   
 
Column, M. Frederiks, voorzitter
 

Zending mag weer. Dat is een onmiskenbaar gegeven van onze tijd. Was twintig jaar geleden zending nog een vies en verdacht woord, vandaag de dag verschijnt het ene ‘zendingsdocument' na het andere. En allemaal roepen ze op tot een vrijmoedig getuigen in deze wereld. Een wereld die, zo stellen de analyses, God bitterhard nodig heeft.

Toch schieten mij zo af en toe, als ik al deze statements lees, de woorden van de Amerikaanse predikant en Christian and Missionary Alliance voorman Aiden Wilson Tozer (1897-1963) weer te binnen. In zijn boekje ‘The Knowledge of the Holy' (1961) is hij op zijn minst enigszins sceptisch over de wereldwijde zendingshype. Hoewel zijn woorden geschreven zijn in de jaren zestig van de vorige eeuw, hebben ze mijns inziens veertig jaar later nog niets aan relevantie ingeboet.

Tozer schrijft: “Waarschijnlijk is de allermoeilijkste gedachte voor ons natuurlijk egoïsme, het feit dat God geen hulp nodig heeft. We schilderen Hem meestal af als een drukke, enthousiaste en soms wat gefrustreerde Vader, die haastig heen en weer rent om zijn heilsplan van vrede en gerechtigheid te implementeren in deze wereld; maar, zoals Lady Julian zei: ‘Ik zag dat God waarlijk alles bewerkt, zelfs het allerkleinste.' Deze God, die inderdaad ‘alles bewerkt', heeft geen hulp of helpers nodig.

Te veel zendingsoproepen zijn gebaseerd op deze veronderstelde frustratie van de Almachtige God. Een goede spreker kan immers gemakkelijk medelijden oproepen bij zijn hoorders, niet alleen met ‘de heidenen', maar ook met God; God die al zo lang en zo hard heeft geprobeerd ‘de heidenen' te redden maar die het tot nu toe niet lukte vanwege gebrek aan hulp. Ik ben bang dat duizenden jonge mensen in dienst van de zending treden met geen hogere motieven dan God te helpen verlossen uit die genante situatie waarin zijn liefde hem verstrikt heeft doen raken en waar zijn beperkte mogelijkheden hem niet uit schijnen te kunnen verlossen. Voeg hierbij een zekere dosis van prijzenswaardig idealisme en jij hebt de ware drive achter veel christelijke activiteit van vandaag de dag.'

Tozer slaat mijns inziens de plank niet ver mis, als hij achter veel van de huidige missionaire activiteit een groot menselijk activisme vermoedt. Deze inspanningen zijn vaak gegenereerd door oprechte medemenselijkheid. Dat lijkt me buiten kijf. Maar soms komen de oproepen tot zending me net iets te krampachtig voor, alsof het van onze persoonlijke inzet afhangt of ‘de onbereikten' bereikt worden, of het Koninkrijk al dan niet komt en of het evangelie zijn gang door de geschiedenis en de wereld blijft gaan of niet.

Het valt me op dat we zoveel moeten vandaag de dag. We ‘moeten' naar de einden der aarde, er ‘moeten' weer meer mensen worden uitgezonden, er ‘moet' weer verkondigd worden, er ‘moeten' weer missionaire gemeenten komen, er ‘moet' geleerd worden, van migrantenkerken, van de interreligieuze dialoog en ga zo maar door.

Het is misschien goed om te midden van al dat moeten en menselijke activisme weer eens een oude – omstreden – missiologische term van stal te halen: die van de Missio Dei. Los van alle discussies die de term als containerbegrip heeft opgeroepen, is de strekking nog steeds heilzaam: Zending is allereerst God's zending. God heeft een missie van verzoening met deze wereld, een wereld waarvan wij zelf ook deel uit maken. En in die missie van God mogen wij, als mensen en gemeenschappen van mensen die door God en Zijn liefde geraakt zijn, participeren. Niet meer dan dat, niet minder dan dat. Dat zet ons enerzijds van harte in beweging – gegrepen en gedreven door die liefde en verzoening van God zetten we ons met alle gaven en energie in om van die goede boodschap, van dat Koninkrijk te getuigen. Maar anderzijds zet die term ons – God dank – ook in de ruimte. God's werk is breder dan ons streven, het gaat voor ons uit, het volgt ons werk, draagt ons werk. Want God, zo belijden we met de Psalmen, zal het werk dat Zijn Hand begon niet laten varen. Het hangt niet van ons af of het Koninkrijk er komt of niet.

Of zoals één van mijn studenten het recentelijk schreef: ‘Gelukkig belijden we dat God de Zender is. Dat geeft bijna nog meer heilige ernst, maar ook heilige ontspanning aan al ons bezig zijn. Fantastisch toch. Die Missio Dei.'