Dirk Griffioen, Christelijke zending en wereldgodsdiensten

Een eeuw zending in kaart gebracht

Dr. Dirk Griffioen promoveerde dit najaar op een proefschrift waarin hij de praktische ervaring van dertien jaar zendingsveld systematisch doordenkt. Hij bestudeerde drie bekende namen uit de zendingswetenschap. Onderlinge vergelijking van hun leven en werk levert een aardige lengtedoorsnee op van een eeuw godsdiensttheologie, stelt Wout van Laar.

 

Hoe verhoudt het christelijk geloof zich tot de wereldgodsdiensten? Is er waarheid te vinden in niet-christelijke religies wanneer christenen Jezus kennen als de weg, de waarheid en het leven? Deze vragen hebben de zending altijd al beziggehouden. De godsdiensttheologie, een onderdeel van de missiologie, doet onderzoek naar de overeenkomsten en verschillen tussen het christendom en de andere godsdiensten.

 

Confronterend

Dr. Dirk Griffioen was er al vroeg door geboeid. In zijn jarenlange werk als zendeling in Papua (Irian-Jaya, Indonesië) en docent aan een theologische hogeschool in Jakarta kwamen de vragen confronterend op de gereformeerd-vrijgemaakte zendeling af. Eenmaal terug in Nederland zette Griffioen zich aan zijn proefschrift, waarin hij de praktische ervaring van dertien jaar zendingsveld systematisch doordenkt.

 

Zijn lijvige studie, Christelijke zending en wereldgodsdiensten (602 pagina's), brengt het denken in kaart van drie bekende namen uit de zendingswetenschap: de Duitse Lutherse piëtist Gustav Warneck (1834-1910), de Nederlandse zendingsman Hendrik Kraemer (1888-1965) en de Schotse zendeling Lesslie Newbigin (1909-1998), bisschop van de Church of South India en leider van de Internationale Zendingsraad. Onderlinge vergelijking van hun leven en werk levert een aardige lengtedoorsnee op van een eeuw godsdiensttheologie.

 

In zijn drang tot volledigheid heeft Griffioen een overvloed aan materiaal bijeen gebracht. Wij leren genoemde zendingsmensen kennen in gesprek met hun tijdgenoten en omgeving. Griffioen wijst eerst op de overeenkomsten. Elk van de drie gaat uit van de normativiteit van het christelijk geloof als antwoord op Gods openbaring.

 

De Bijbel is voor hen het gezaghebbende Woord van God. Met kracht delen zij de visie dat de kerk zich heeft te wijden aan de wereldwijde verkondiging van het evangelie. Deze taak zal pas voltooid zijn wanneer iedereen het goede nieuws heeft gehoord en het Rijk gekomen is. Tegelijk maakt de studie duidelijk dat Warneck, Kraemer en Newbigin eigen accenten leggen. Zij blijken kinderen te zijn van hun tijd. Dat is te merken in de manier waarop ze tegen de wereld aankijken en die beleven. Gustav Warneck leefde in de hoogtijdagen van de westerse kolonisatie. Men keek vanuit de westerse kerken vanuit een superieure houding naar de rest van de wereld en de andere godsdiensten. Zending stond in het kader van de opvoeding van de mensheid tot een hogere beschaving. Voor Warneck vielen Gods openbaring en het Europese christendom bijna samen. De westerse kerk gold als absolute norm.

 

Ongeloof

 

Dat kan de gepassioneerde zendingsman Hendrik Kraemer hem na de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog niet meer nazeggen. Onder de invloed van Karl Barth kritiseert hij in het licht van Gods openbaring in Christus alle menselijke religie als ongeloof. Hij schreef voor de wereldzendingsconferentie van Tambaram (1938) een studie over de verhouding tussen de bijbelse boodschap en de wereldreligies, die voor de rest van de eeuw de discussies zou beheersen. Steeds meer zag Kraemer sporen van openbaring in niet-christelijke godsdiensten, waardoor hij leerde om de menselijke religiositeit meer positief te waarderen.

 

Op de markt

 

De oecumenicus Newbigin heeft, na vele jaren in India te hebben gewerkt, in zijn laatste periode de leegloop van de westerse kerken door de secularisatie meegemaakt. Dat bracht hem tot de vraag: kan het Westen bekeerd worden? Hij heeft velen meegenomen in zijn oriëntatie op de mission to the West. Diepgaand heeft hij nagedacht over de plaats van de kerken in een samenleving die in godsdienstig opzicht pluriform is.

 

De kerken moeten zich niet laten wegdrukken in het privé-domein, maar op de markt van het leven het evangelie betuigen als publieke waarheid voor iedereen. Het gaat erom steeds maar weer het verhaal van Jezus te vertellen. Daarbij maakte Newbigin onderscheid tussen de oorspronkelijke story of Jesus en wat de kerk er de afgelopen 2000 jaar van heeft gemaakt.

 

Griffioen constateert dat Kraemer en Newbigin vrijwel lijken te zijn afgeschreven in de oecumenische beweging. Hij ziet de invloed van Newbigin vandaag vooral terug in de ‘evangelicale' Lausannebeweging en bij een aantal ‘gereformeerde' theologen. Hij signaleert trouwens niet alleen kritiek vanuit kringen van de Wereldraad. Interessant zijn de scherpzinnige vragen van evangelicals uit het Zuiden, die de auteur terloops vermeldt. Zij zijn geestverwanten.

 

Maar de Sri Lankaan Vinoth Ramachandra vindt wel dat Newbigin te weinig oog heeft gehad voor de allesoverheersende rol van de rede in kerk, theologie en cultuur in het Westen. De Gambiaan Lamin Sanneh benadrukt dat westerse christendom is doordrenkt van de erfenis van de Verlichting. De Europese discussie over de interreligieuze ontmoeting vindt plaats binnen de referentiekaders van de westerse wetenschap.

 

Dat maakt de missiologie van iemand als Newbigin enerzijds relevant en contextueel voor het Europa van de twintigste eeuw; anderzijds ligt precies daarin ook de beperking van die missiologie, in relatie tot een wereldkerk die gaandeweg meer wordt bepaald door de agenda en de missionaire praktijk van de snelgroeiende kerken van het Zuiden.

 

Eigen referentiekader

 

Deze kerken, die in de veelkleurige migrantenkerken ook in ons land sterk vertegenwoordigd zijn, zijn vaak niet door de Verlichting heengegaan. Zij kennen hun eigen referentiekader en benaderingswijzen in de interreligieuze ontmoeting. Zij leven de navolging op eigen wijze voor, vaak authentiek en wervend. Hun vaak eeuwenlange ervaringen in de omgang met andersgelovigen kunnen ons helpen verantwoord om te gaan met de religieuze minderheden binnen onze poorten.

 

Aan deze ontwikkelingen gaat Griffioen jammer genoeg geheel voorbij, als hij ten slotte een poging doet om lijnen aan te geven voor een godsdiensttheologie voor de toekomst. Als kinderen van hun tijd en context leefden en werkten Warneck, Kraemer en Newbigin binnen het raamwerk van de Verlichting met zijn gereduceerde interpretaties van Bijbel en werkelijkheid. Het wordt tijd consequenties te trekken uit het feit dat het christendom van vandaag niet langer binnen de traditionele schema's van de Verlichting kan worden verstaan.

 

Het zwaartepunt van de wereldkerk is verschoven naar het Zuiden; het christendom is opnieuw vooral een niet-westerse godsdienst. Om deze reden is een discussie over christelijke zending en wereldgodsdiensten, openbaring en rede in uitsluitend westers-wetenschappelijke termen niet langer toereikend. Wij zoeken binnen de wereldwijde gemeenschap van kerken naar nieuwe perspectieven. En in de kritische verwerking van de Verlichting (met erkenning van alle goeds dat die Verlichting de wereld ook heeft gebracht!) mogen westerse christenen zich weten bijgestaan door de Geest van Christus die in alle waarheid leidt.

 

Dirk Griffioen, Christelijke zending en Wereldgodsdiensten, In: Friesch Dagblad, dinsdag 5 februari 2008 door Drs. Wout van Laar