| Martien Brinkman, De niet-westerse Jezus | |
De niet westerse Jezus |
|
Veertig jaar geleden schreef de islamoloog Kenneth Cragg: ‘Het christendom moet bereid zijn om te sterven aan de gedachte dat de westerse vorm alleenrecht zou hebben; het gaat erom op een authentieke manier te leven binnen de volheid van menselijke culturen. Christus, die zo lang is geassocieerd met Europa en Noord-Amerika wordt de Christus van de hele wereld'. Niemand heeft kunnen voorzien hoe ongedacht deze woorden in vervulling zouden gaan. In 2008 is er bijna geen land ter wereld of er is wel een of andere gestalte van de gemeente van Christus. Het christendom is opnieuw een niet-westerse religie, die een veelkleurige vitaliteit tentoonspreidt op het Zuidelijk halfrond.
Terwijl veel christenen in het Westen met de figuur van Jezus moeilijk raad weten en missiologen ter wille van de dialoog met andersgelovigen naar de grootste gemene deler zoeken, is zijn aanhang wereldwijd nog nooit zo groot geweest als vandaag. Zijn beslissende betekenis wordt in steeds weer andere culturen onderkend. Katholiciteit heeft niet langer betrekking op wat vanuit het Westen overal uniform aanwezig is. Het betekent vandaag voluit ruimte geven aan nieuwe en ongedachte perspectieven op het evangelie, zoals die in heel de bewoonde wereld ontstaan.
Martien Brinkman, hoogleraar theologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, was al jarenlang geboeid door de wijze waarop theologen in Azië en Afrika over Jezus spreken en zijn betekenis zoeken duidelijk te maken in hun cultuur. Als resultaat van zijn speurwerk heeft hij uitvoerig een groot aantal Jezusbeelden in kaart gebracht. Hij neemt de lezer mee naar India, China, Korea, Japan, Indonesië en Afrika. Vrijwel alle christenen leven daar in een minderheidssituatie.
In Azië wonen ze te midden van islamieten, Hindoes, boeddhisten, sjamanisten of taoïsten. In toenemende mate laat die omgeving sporen na in de christelijke theologie ter plaatse. Datzelfde gebeurt in de relatie tussen de Afrikaanse christenen en de traditionele Afrikaanse religies. Brinkman beschrijft hoe er in die situaties niet-westerse christologieën met geheel eigen beelden en begrippen zijn ontstaan. Dat gebeurt via inculturatieprocessen, waarbij er een ‘dubbele transformatie' plaatsvindt. Termen ontleend aan de andere godsdienst en cultuur worden door christenen omgevormd, maar ook het geloof van de christenen wordt door die nieuwe termen veranderd.
Deze processen die zich vandaag in Azië en Afrika afspelen doen denken aan de begintijd van het christendom. Toen moest aan Jezus een duiding worden gegeven met behulp van bestaande Grieks-Romeinse begrippen, want dat waren in die tijd nu eenmaal de kaders waarbinnen men dacht. Toegepast op Jezus ondergingen die begrippen soms echter een gedaanteverandering. Aan twee zijden trad dus verandering op. Nu het zwaartepunt van het christendom zich heeft verplaatst naar het Zuidelijk halfrond, komt de vraag op in hoeverre de ons vertrouwde Griekse begrippen een barrière vormen voor christenen daar.
Het niet-westerse beeld van Jezus voegt nieuwe dimensies toe aan het gangbare beeld van Jezus, terwijl ook de niet-westerse begrippen en beelden veranderingen ondergaan. Brinkman biedt een schat aan materiaal om dit te illustreren. Een voorbeeld uit Afrika: de Ghanese theoloog Akrong stelt: ‘Het voorouderschap van Jezus heeft ons idee van de voorouders getransformeerd. De voorouder gaat zo op Jezus lijken en Jezus op de voorouder'. Jezus blijkt een grotere rol temidden van de verbondenheid van de geslachten over de dood heen te kunnen vervullen dan menigeen in het Westen ooit gedacht heeft.
In het laatste deel gaat de auteur meer methodisch en inhoudelijk de betekenis na van de typering van Jezus in termen ontleend aan Aziatische en Afrikaanse religies. Cruciaal blijft voor hem het middelaarschap van Jezus, die door zijn kruis en opstanding de juiste verhouding tot God herstelt. Hij hecht groot belang aan het criterium van de katholiciteit: de kerk is de overleveringsgemeenschap waarbinnen de betekenissen die aan Jezus toegekend worden, getoetst worden. Er is heel veel moois en waardevols in dit boek samengebracht.
Ik blijf met drie vragen zitten. Ten eerste, met zijn studie zegt Brinkman een kader te willen aanreiken waarbinnen de niet-westerse theologie kan worden verstaan. Voor zover hij heeft weten over te brengen hoe westers de eigen theologie is, is hij daarin geslaagd. Hoewel de auteur zelf zegt zich ervan bewust te zijn een westerse studie over niet-westerse theologie voor een westers publiek geschreven te hebben, legt hij zich daarvan echter onvoldoende rekenschap af. Als het gaat over de inculturatie van beelden van Jezus, over wiens Jezusbeelden heeft Brinkman het dan?
Beperkt zijn onderzoek zich niet vooral tot de ontwerpen van de theologische faculteiten? Is hij verder gekomen dan het traditionele circuit van oecumenische instituten en bibliotheken die doorgaans vanuit de middenstandskerken van het Westen worden gefinancierd en in standgehouden? De inculturatie waarvan hier sprake is gaat voornamelijk top down , er is sturing van bovenaf door theologen en kerkleiders.
Buiten beeld blijft de inculturatie van onderaf, bottom up . De Ghanese theoloog Bediako pleit voor een theologie die start bij het grondvlak. Hij wijst op het lied van de ongeletterde vroedvrouw, voor wie Christus levende werkelijkheid is geworden en die in de strijd om te overleven in haar moedertaal zingt van Jezus. Hoe wordt Jezus ervaren in de werkelijkheid van de armen zelf, aan de onderkant van samenlevingen waar christenen van de gegoede middenklasse niet komen? Welke betekenis wordt aan Jezus toegekend in de no go areas van megasteden als Sao Paulo en Nairobi, onder migranten en illegalen in de kille catacomben van de parkeergarages in de Bijlmermeer? Voor de westerse onderzoeker met zijn gereduceerde voorstellingswereld van de Verlichting is dat verdraaid lastig in beeld te krijgen.
Ten tweede, wij beleven een snelle ‘pentecostalisering' van de wereldkerk. Juist onder armen en ongeletterden bewijzen de pinksterkerken hun enorme werfkracht. Met name in zijn niet-westerse expressies kenmerkt het pentecostalisme zich door een verbluffend vermogen tot creatieve aanpassing en inculturatie in de meest uiteenlopende contexten. Veelbetekenend is dat Brinkman aan actuele Jezusbeelden in de charismatische en pinksterkerken voorbij gaat.
Westerse wetenschapsbeoefening lijkt eenvoudig het zintuig, het instrumentarium en de begrippen te missen om het onafhankelijke christendom van het Zuiden te waarderen naar zijn eigen aard en betekenis. Wanneer zullen wij als kinderen van de moderniteit met onze drang tot controleren en classificeren er in slagen om uitdrukkingen van christelijk geloof die wij in onze westerse referentiekaders niet weten te plaatsen voluit recht te doen?
Ten slotte, zou Brinkman niet vervolgonderzoek kunnen doen naar de betekenis die wij aan Jezus toekennen in de eigen context? Als christenen in Nederland hebben wij de grootste moeite om enthousiasmerend aan onze niet-gelovige of anders-gelovige buurman, of zelfs aan onze eigen kinderen over te brengen wat het voor ons betekent te behoren tot de wereldwijde Jezusbeweging. Al te vaak definiëren wij het leven met Christus in termen uit het verleden, in begrippen waaruit voor het gevoel van velen de bodem is weggevallen.
Hoe kan het in Europa, met behulp van het framework van de ‘dubbele transformatie', komen tot een nieuwe inculturatie vanuit een ontmoeting met de gekruisigde Heer? En welke beelden en begrippen zouden daarin dan een rol kunnen spelen? Uiteindelijk zal het er immers om gaan dat wij in iedere generatie opnieuw een contextueel relevant antwoord weten te geven op de persoonlijke vraag van Jezus aan zijn leerlingen, nadat zij onder woorden hebben gebracht welke betekenis anderen aan hem geven: ‘Maar nu, wie ben ik volgens jullie?
Wout van Laar
Recensie Martien Brinkman,De niet-westerse Jezus. Jezus als bodhisattva, avatara, goeroe, profeet, voorouder en genezer. Zoetermeer 2007, 372 p.