A Common Word studiedag, 2009, door Lucien van Liere

A Common Word voor theologisch Nederland
Een toespraak gehouden op A Common Word studiedag, 11 mei 2009

  • “A Common Word is een irenische poging om vanuit faith-based diplomacy de angst weg te nemen voor de religieuze ander.”
  • “Welbeschouwd kun je dit interpreteren als een diepgaande kritiek op Westers individualisme vanuit religieus perspectief.”
  • “Je raakt ontwricht als religieus, modern, seculier, liberaal en ikkerig subject.”
  • “Het gaat erom elkaar als religieus ander in de ogen te kunnen kijken zonder bang voor elkaar te zijn.”
  • “Dit is een gewaagd thema: de liefde behoeft gehoorzaamheid aan God.”

 

De vraag die de voorbereidingscommissie mij stelde luidt: op welke manier is A Common Word ontvangen door Nederlandse theologen, die staan in de traditie van de dialectische theologie?

 

Een interessante vraag. De commissie vermoedde kennelijk toch wat ‘aanknopingspunten'. Ik heb hierop enigszins in paniek een dozijn mailtjes verstuurd naar mensen die vanuit deze traditie iets te zeggen zouden kunnen hebben. Enthousiasme en respons bleken echter zeer tegen te vallen, hetgeen mij al in een vroeg stadium naar mijn eerste conclusie leidt: wellicht is de dialectische theologie dermate geïsoleerd geraakt dat zij niet meer in staat is haar cultuur-kritische spits ook in actuele debatten te profileren.

 

Ik noem: ‘cultuurkritische spits'. Dat is ook het punt waarop deze theologie en A Common Word een common ground zouden kunnen vinden. Om even kort te gaan, een spoedcursus ‘Bluff your way into dialectical theology': de dialectische theologie vindt haar oorsprong in een felle kritiek op het nationalisme en etnocentrisme dat aan het begin van de 20e eeuw de christelijke religie meesleepte de Eerste Wereldoorlog in. Mensen als Karl Barth, maar niet alleen hij, deden een beroep op de soevereiniteit van God en ontwikkelden hun perspectief op deze soevereiniteit parallel aan een uitermate cynisch mensbeeld. God liet zich niet voor een nationalistisch karretje spannen: God was ‘gans anders' en de mens was, zeker na de Eerste Wereldoorlog, ‘kapot'.

 

Dit cultuurkritische en anti-nationalistische begin van de dialectische theologie laat zich eigenlijk op verrassende wijze vergelijken met hoe de moslim-geleerden van A Common Word de soevereiniteit van God inbrengen in een polariserend politiek en religieus discours en zo pogen om het vijanddenken vanuit de religie (en dus niet vanuit politieke diplomatie) te ontmantelen. Maar de dialectische theologie heeft haar tijd feitelijk gehad en heeft aan invloed verloren, juist doordat zij God zo serieus nam dat zij de mens vergat. Precies op dit punt zou ik A Common Word willen interpreteren. Immers, de moslimgeleerden doen iets wat in de christelijke theologie vaak wordt vergeten: zij positioneren de mens als een religieus ethisch subject, vanuit diens gerichtheid op God. De ethiek die zij lijken voor te staan wordt gebaseerd op een geloof dat haar spits vindt in het liefhebben van de naaste, wat in de interreligieuze dialoog wel de ‘golden rule' wordt genoemd .

 

De vraag van de commissie behelst nu de contextualisering van dit document, en dus van deze gedachte, in theologisch Nederland. Theologisch Nederland is of geïsoleerd conservatief of modernistisch seculier, gehoorzaam of vrolijk katholiek, individualistisch evangelicaal of gevoelsmatig charismatisch. In ieder geval bestaat theologisch Nederland uit ikken die gewend zijn dat hun geloof een privé-aangelegenheid is en dat geloof zich niet direct politiek kan profileren, maar ook dat een maatschappelijke ethiek eerder modernistisch-liberaal is dan religieus van aard. Die trend zette zich in gedurende de jaren zestig toen, zoals Ian Buruma dat zo mooi verwoord, de macht niet meer blind hoefde te worden gehoorzaamd, maar vrijmoedig kon worden weerstreefd. Dit gold ook voor de kerkelijke macht en vooral voor haar (schijn)patent op de moraal. Deze ontmanteling van de religieuze machtsposities heeft de christelijke theologie haar marginale plaats in de steeds liberaler wordende maatschappij gegeven.

 

De theologen vonden het boeiend, geseculariseerd dat zij waren. Predikanten en pastores wisten vanaf hun kerkelijke machtsplek eigenlijk niets meer te doen dan over Gods liefde te prediken dat zo vrij de mens gegeven is dat deze liefde haast uit het gebod getrokken werd.

 

Islam vormt nu juist voor Nederlandse theologen een enorme uitdaging. A Common Word laat duidelijk zien dat nadenken over naastenliefde en goed nabuurschap is geworteld in ontzag. Ontzag voor God. Dit bevreemdt in een seculier en semi-religieus polderlandschap. Maar juist dit polderlandschap is langzaam aan het veranderen. Wat theologisch Nederland totnogtoe nog niet echt serieus heeft gedaan is beseffen dat Islam een bijzonder groot deel van het ‘eigen' Nederlandse religieuze spectrum uitmaakt en dat het dus de moeite loont om Islam nu eens goed te gaan bestuderen, ook haar inhoudelijke thema's, en een stem in het eigen debat, in de ‘eigen' instituten en aan de universiteiten te geven. Stel je voor: straks hebben we dan echt een joods-christelijk-islamitische cultuur maar dromen de theologen nog steeds hun marginale dromen. Terwijl, zo zou je nu meer dan ooit verwachten, juist de theologen en religiewetenschappers aan de spits van een dergelijk debat te verwachten zouden moeten zijn.

 

Dat er nu een hand naar ons uitgestoken wordt – daaraan kan niemand voorbijgaan. Het schijnt ook niet te mogen – een hand weigeren.

Ik zie A Common Word als een irenische poging om vanuit een strategie van –wat in mijn vakgebied wordt genoemd- Faith-Based Diplomacy en ‘Preventive Engagement' de angst weg te nemen voor de religieuze ander en te komen tot een mondiale gemeenzaamheid vanuit pluriforme religieuze bases. Dit is hard nodig, want dankzij globalisering wordt de wereld haast net zo klein als Nederland en Nederland haast even groot als Cassablanca. Informatie over ‘religieuze' conflicten of clashes tussen moslims en christenen wordt razendsnel over de mondiale media verspreid, maar de interpretatie van deze informatie gebeurt vaak in een gepolariseerde politieke context waardoor achtergronden en oorzaken van minder belang worden geacht dan bloed en moord.

 

Tegen zo een context is het document dus gericht. De tekst van het document is als een ui die zich langzaam ontpelt. De eerste schil is de exegese. Die is belangrijk, omdat deze laag de grondsteen voor de communicatie vormt: a common word. Maar staar je daarop niet blind. Het is een schil. Dan pel je verder en stuit je op de meer theologische thema's als de soevereiniteit van God en de verwerping van afgoden. Ook dit is een laag apart die allerhande implicaties heeft. Maar ook deze laag laten we even voor wat zij is. We pellen nog verder en komen bij de liefde uit, de liefde voor God en voor de naaste. Een omgedraaide kantiaanse psychologie verschijnt.

 

De mens wordt naar buiten zichzelf gericht. Het denken, willen en voelen worden geplaatst in de context van het ontzag voor God. Welbeschouwd kun je dit interpreteren als een diepgaande kritiek op Westers individualisme vanuit religieus perspectief die het doordenken meer dan waard is. Maar dan nog is de ui niet tot haar kern ontpeld. Het ontzag voor God, de liefde voor God, de liefde voor de naaste zijn alle activiteiten die je als het ware je eigen identiteit ontrukken: ‘His is the praise!' Je raakt ontwricht als religieus, modern, seculier, liberaal en ikkerig subject. En dan keert plotseling al die energie naar jou terug: God is vergevend en barmhartig – klinkt het.

Maar ook hier, zelfs hier zit nog niet de kern. De kern van het document wordt pas duidelijk op het einde en spreekt boekdelen: gegeven het feit dat ondanks de verschillen tussen Christendom en Islam beide godsdiensten zeer van elkaar te vrezen zouden hebben wanneer de dynamiek van de polarisering beide tegenover elkaar blijft plaatsen, dient de kern van beide religies te worden gezocht en bestudeerd als een hieraan tegenovergestelde dynamiek die de godsdienstige ander als naaste respecteert. De kern is dus: wees niet bang. We hoeven elkaar niet te vrezen indien wij onszelf en onze tradities serieus nemen.

 

Het gaat er zeker niet om dat de godsdiensten gelijk zijn. Dat zijn ze zeker niet en de geleerden hebben best moeite met de diffuse bronnen van de christelijke traditie. Het gaat erom elkaar als religieus ander in de ogen te kunnen kijken zonder bang voor elkaar te zijn.

 

Het knappe van dit document is dus dat de Westerse politieke preoccupatie met veiligheid, wanneer het om Islam gaat, wordt opgenomen en juist vanuit de gevreesde religie en niet vanuit de politiek wordt gegarandeerd. Hier is dus sprake van sterke religieuze diplomatie, een kracht die politici vaak laten liggen omdat zij religie beschouwen als een anomalie in moderne tijden. Politici hebben zich na de val van de Berlijnse Muur enthousiast laten beïnvloeden door denkers als Samuel Huntington of Bernard Lewis die Islam als absoluut anders en bedreigend hebben willen neerzetten. De handreiking van de geleerden ontzenuwt dit dualistische denken vanuit de inhoud van beide religies die aan de bron van verschillende culturen staan. Maar de oproep van de geleerden is niet aan het adres van de politici, maar aan dat van de kerken en hun theologen.

 

En dan leggen we de schillen opnieuw naast elkaar.

 

Lucien van Liere, ‘ A Common Word voor theologisch Nederland,' toespraak gehouden op A Common Word studiedag, 11 mei 2009