In: Centraal Weekblad, 21 mei 2010
Vooral 'gewone' gelovigen verspreiden het evangelie. Migratie: de grote zendingsmotor.

 

In 1910 was Edinburgh de locatie van de eerste wereldzendingsconferentie. In de eeuw die erop volgde veranderde de visie op zending en op de zendingsgeschiedenis. Het evangelie blijkt meer te zijn verspreid door ‘gewone’ gelovigen en migranten dan door ‘echte’ zendelingen. En van het geklaag in Nederland over kerkelijke krimp en minderheidskerk snappen christenen in de Derde Wereld niets: ze weten niet beter. Hoog tijd ons aan deze christenen te spiegelen, vindt Wout van Laar.

 

Wat is er tussen Edinburgh 1910 en 2010 nu precies veranderd? En welke trends zijn er vandaag te zien in de zending? Over deze vragen verschenen in de aanloop naar de viering van het eeuwfeest van de eerste wereldzendingsconferentie een overvloed aan studies. Interessant is een onderzoek van de Wereldbond van Hervormde en Gereformeerde Kerken (WARC). Geen abstract studiedocument, maar een onderzoek naar in de zendingsvisie en praktijk van christenen aan de basis: hoe zijn die over kerkmuren heen vandaag getuigen van Christus?


Twaalf lokale interkerkelijke groepen in Argentinië, Kameroen en Nederland deden mee aan het project Mission Today. In ons land pakte de Nederlandse Zendingsraad het op. De NZR coördineerde groepen uit Haarlem, Rotterdam en Utrecht. Zij deelden hun verhalen en vergeleken 1910 met 2010; lokaal, landelijk en internationaal. Dat leverde verrassende ontdekkingen op.

 

Spontane gebeurtenis

Ten eerste, de verhalen van de groepen uit Argentinië en Kameroen maken duidelijk dat de betekenis van westerse zendingsorganisaties in Europa vaak eenzijdig wordt belicht. Terwijl het officiële plaatje is dat zending in 1910 een westerse onderneming was, weten Afrikanen wel beter. Zij komen met het verzwegen verhaal van de inheemse bijdrage aan de zending tijdens het hoogtepunt van het kolonialisme: het spontane getuigenis van lokale christenen droeg vaak meer vrucht dan de inspanningen van buitenlanders en hun instituten.


In Kameroen kwam men trots met de geschiedenis van Jacob Modi Din. In 1912 werd hij als een van de eersten van zijn Doualastam als predikant bevestigd. Op zijn naam staan talloze opofferingen voor de bloei van de Kameroense kerk. Eens werd Modi bij de koloniale grens om zijn paspoort gevraagd. ‘Hier is mijn paspoort’, riep hij. De zwarte dominee hield zijn Bijbel omhoog en werd door de verraste grenswacht doorgelaten.


In Rotterdam vertelde evangelist Fred Lachman van de volle-evangelie-gemeente hoe in 1874 zijn hindoe-overgrootvader met de stroom van contractarbeiders uit India naar de Caraïben emigreerde. In Suriname hoorde diens zoon, Freds grootvader, de bevrijdende boodschap van Jezus Christus. Als evangelist vormde hij generaties Surinaamse christenen. De Rotterdamse groep concludeerde: ‘Het geloof van één mens kan veel teweegbrengen!’ Meermalen werden vrouwen genoemd als pioniers van niet-georganiseerde zending. De meesten van hen zullen altijd naamloos blijven.


De Bijbelstudie over de genezing van Naäman illustreerde dit. Dit Bijbelgedeelte was aan de groepen meegegeven en maakte veel wakker. Projectleider Julio López uit Buenos Aires: ‘Aanvankelijk begrepen wij niet wat dit verhaal over een generaal en een onbetekenende slavin met zending van doen heeft. Totdat het rollenspel ons de vele gezichten van ‘goed nieuws doorgeven’ deed ontdekken. De tekst werd een venster op de roeping van ieder van ons in het leven van alledag.’

 

Geloofsverhaal

Ten tweede, uit de verhalen blijkt hoe groot de rol is die migratie speelt in de verspreiding van het christelijke geloof. Julio López vertelt hoe zijn familie twee generaties geleden uit Italië kwam, met veel andere Zuid-Europeanen. Zijn grootvader keerde later terug naar Europa en stichtte gemeenten in Spanje. Luis Machi is pastor van de Discipelen van Christus op het Argentijnse platteland; hij vertelt van de ontmoeting tussen de Bijbel en de lokale bevolking, gevestigde mestiezen en inheemse stammen zonder rust of duur. Zendelingen hebben zijn (groot)ouders en hij nooit gezien. Hij herinnert zich zijn moeder als een belangrijke getuige van Christus, voor hem alsook voor vele anderen in de streek. Uit Kameroen met zijn vele etnische kerken en rondtrekkende mensen komen vergelijkbare verhalen.


Breder onderzoek bevestigt dat het de afgelopen eeuw vooral gewone mannen, vrouwen en kinderen on the move waren, die via ongecontroleerde migratiebewegingen het evangelie meedroegen, overal waar de Geest hen bracht.

 

Ds. Pieter van Winden (Utrecht) woonde de slotconsultatie in Buenos Aires bij en concludeert dat wij meer moeten openstaan voor migranten in onze omgeving: ‘Misschien wel meer dan bewuste zendingsactiviteit kan migratie voor een verspreiding van christelijk geloof zorgen en aan nieuwe gemeentevorming bijdragen. Wellicht kan een missionaire kerk dus deels volstaan met ten volle kerk van Christus te zijn, zodat zij die verder trekken een bewustzijn en geloofsverhaal hebben om elders uit te dragen of vorm te geven.’

 

Interessant is dat elk van de drie Nederlandse groepen ook migrantendeelnemers kende. Langzaamaan wordt erkend dat wij leven in een nieuwe multiculturele fase: kerken kunnen niet langer heen om interculturele samenwerking. Dat vraagt om nieuwe vormen van zending en oecumene aan de basis.

 

Hobbels en spanningen

Ten derde, samenwerking tussen de kerken blijkt op geen van de plaatsen vanzelfsprekend. Overal zijn hobbels, spanningen en problemen. Maar uit de verhalen spreekt groeiende bereidheid om confessionele en etnische verschillen opzij te leggen. Christenen beseffen elkaar hard nodig te hebben en zoeken naar eenheid in zending. Behorend tot een wereldwijd netwerk, weten zij zich als leden van het lichaam van Christus voor elkaar verantwoordelijk, van lokaal tot mondiaal.


Vanuit de Argentijnse binnenlanden werd het milieuvraagstuk op onze agenda geplaatst. Pieter van Winden: ‘De gevolgen van klimaatverandering voor de bewoners (en dus ook kerken) van het noorden van Argentinië vond ik schokkend. Een collega van daar had het over 50 graden, uitblijvende regen en daarmee samenhangend opkomende Dengue (knokkelkoorts). Waar een individu machteloos staat, kan de gemeenschap van Christus plaatselijk en wereldwijd wellicht tot een ander perspectief komen.’

 

Van Winden spreekt ook over de eigen situatie waar wij flink last hebben van ons glorieuze beeld van het kerkelijk verleden: ‘Wij worden soms somber bij het geploeter van onze kleine gemeenten. Dit maakt in Argentinië of Kameroen geen indruk. Integendeel. Men ervaart kleine groepen, wankele gemeenten en initiatieven die maar nauwelijks aanslaan als normaal. De protestantse kerken zijn er altijd minderheden geweest.’


In Haarlem beleefde men de ontmoeting, die voor het eerst christenen uit een breed spectrum samenbracht, als een eye opener: ‘In plaats van de verschillen te benadrukken, kunnen wij beter vanuit een gezamenlijk staan in de praktijk zoeken naar overeenkomsten. Veel oude tegenstellingen blijken kunstmatig. Overal waar je werkt met kwetsbare mensen en groepen is God niet ver, gaat een nieuwe wind waaien.’


Machtsdenken 
Ten vierde, overal leefden vragen over ongelijke machtsverhoudingen en de rol van het geld. De Lutherse dominee Jonas Maïna meldde dat een groot deel van het budget van de kerken in Kameroen nog steeds uit het buitenland komt, waarbij de Europese partners uitmaken waar de kerk haar prioriteiten stelt. Ook de Argentijnse kerk moet moeite doen om zich niet door Amerikaanse donoren te laten ringeloren.


Recent stelde Jacques Matthey, directeur zending van de Wereldraad, dat het neoliberale denken bij organisaties van zending en ontwikkelingssamenwerking oppermachtig is. Hij constateert een terugval ten opzichte van een generatie geleden toen men serieuze pogingen deed om de macht te delen. Zonder gêne is het weer: wie betaalt, bepaalt. De wijsheid van lokale kerken telt niet; men stelt de belangen van de eigen denominatie voorop. Eenzijdige nadruk op efficiënt management en controle staat vruchtbare oecumenische verhoudingen in de weg. Matthey pleit ervoor om de fixatie op kortademige projecten te doorbreken en te investeren in duurzame relaties die levende contacten tussen mensen centraal stellen.

 

Het woord van het kruis staat haaks op machtsdenken. De wijze waarop het evangelie sinds 1910 over de wereld is gegaan toont helder aan dat Gods strategie gebruik maakt van zwakke en kwetsbare mensen. No persons uit de marge zijn de eersten die het heil ontvangen; zij zijn het ook steeds die van onderaf empowered door de Geest de liefde van Christus aan de wereld verkondigen en voorleven.