20 september 2002, door drs. Wout van Laar

Go, tell it on the mountains!
Een inventariserende notitie over de vraag naar 'de onbereikten'

 

'Wij kunnen niet nalaten te spreken
van wat we gezien en gehoord hebben'

 

1. Aanleiding en achtergrond


Het schrijven van deze notitie is ingegeven door een wens van de bij de NZR aangesloten kerken en organisaties (Ako). Tijdens de in het voorjaar van 2001 gehouden consultatieronde werd meer dan eens de thematiek van de onbereikten naar voren gebracht als onderwerp voor bezinning. Vervolgens kwam de dienst MDO van de SoW-kerken met het concrete verzoek om een inventariserend onderzoek te doen over standpunten ten aanzien van de onbereikten in de wereld (ook in Nederland) en de daarbij behorende visies en gevolgen, alsmede aanbevelingen te doen met het oog op de beleidsontwikkeling. "Evangelisch en orthodox georiënteerde christenen binnen en buiten de landsgrenzen -zij hebben zending en evangelisatie hoog in het vaandel staan- stellen de uitdagende vraag, waarom de gevestigde kerken niet of nauwelijks gericht investeren in het brengen van de Boodschap aan de onbereikten". MDO hoort deze vraag ook in de plaatselijke kerken en acht deze vraag -hoezeer de uitwerking daarvan soms ook tegenspraak oproept- authentiek: zij hangt samen met het verlangen dat elk mensenkind het Evangelie ooit zal horen.

 

Het onderstaande is het resultaat van studie van missiologische en aanverwante literatuur , alsmede van gesprekken met personen en instanties die betrokken zijn bij het beleid en de praktijk van evangelisatie, missionair-diaconaal werk en zending; dat alles zowel in Nederland als in Europa en wereldwijd. Het spreekt vanzelf dat de thematiek niet tot op de bodem beschouwd kon worden. Voorlopig gaat het om enig inzicht in en een overzicht van standpunten, visies, verhoudingen, posities, achtergronden en knelpunten. Op grond daarvan zou tot een vervolgtraject besloten kunnen worden waarin de zaken worden uitgediept en uitgewerkt, MDO denkt aan de mogelijkheid van een project; daaraan zou door de Ako samen vorm kunnen worden gegeven.

 

Eerst wordt de context geschetst waarbinnen het spreken over onbereikten functioneert . Na een aantal evaluerende vragen aan 'evangelicals' en 'ecumenicals', waarbij ook wordt ingegaan op de theologische vooronderstellingen komt bij de middelen die de zending mobiliseert vrij uitvoerig de figuur van de zendingsarbeider aan de orde. Uiteraard kon de vraag naar het diepste zelfverstaan van de zending niet buiten dit onderzoek blijven. De studie sluit af met een aantal korte aanbevelingen, die wijzen in de richting van nieuwe organisatievormen die beantwoorden aan een nieuw missionair tijdperk.

 

2. Een 'evangelical' thema

 

Een eerste constatering is dat de 'onbereikten' als thema in de oecumenische discussie vrijwel niet voorkomen. In de grote handboeken en de missiologische literatuur zoekt men er tevergeefs naar; in de beleidsvorming van oecumenische zendingsorganen is de term afwezig. Wie daarentegen via internet een zoekopdracht geeft met het woord unreached peoples, kan volop terecht; een vluchtige oriëntatie leert dat er onder 'evangelicals' wereldwijde netwerken bestaan om volken en mensen te benaderen met de zendingsboodschap. Er wordt verwezen naar een zee van boeken en tijdschriften. Terwijl de zending van de gevestigde kerken daar niets mee heeft, blijken in de 'evangelical' wereld, als het over zending en evangelisatie gaat, de onbereikten hoog op de agenda te staan.

 

Het spreken over de unreached komt op na het Wereldevangelisatie-Congres in Lausanne in 1974 . Deze grote conferentie versterkte het zelfvertrouwen van de 'evangelicals' en gaf een enorme impuls aan de zending. Men was bijeen 'to pray, to plan and to work together for the evangelisation of the whole world' (John Stott). Via een gezamenlijke inspanning moest een doorbraak naar alle volken binnen één generatie realiseerbaar zijn. Het kwam tot initiatieven om op basis van de Lausanne Verbintenis de 'evangelical' krachten wereldwijd te bundelen voor de evangelisering van de niet-christenen. 'A Church for Every People by the Year 2000'. In zekere zin zette de 'evangelical' beweging zich daarmee af tegen de 'ecumenicals', die in hun ogen vanwege hun liberale theologie de zending verwaarloosden door het Evangelie eenzijdig te vertalen in sociaal-politieke termen en het getuigenis in te ruilen voor de dialoog. 'Evangelicals' namen het op voor de zending. Zij herinnerden daarbij aan het grote aantal mensen, dat nog nooit van het Evangelie gehoord heeft en aan wie men het heil in Christus verschuldigd is. 'Zal Uppsala de 2 miljard verraden?' (Donald McGavran, Uppsala 1968). 'Hoort de Wereldraad behalve de 'cry of the poor' ook de 'cry of the lost!'(John Stott, Nairobi 1975).

In feite wilde men aanknopen bij de eerste wereldzendingsconferentie van Edinburgh in 1910 . Al in het begin van de 20ste eeuw kreeg de zending dynamiek vanuit de verwachting dat binnen korte tijd de hele wereld christelijk zou zijn: 'de evangelisatie van de wereld in deze generatie'. Dat leidde ook toen tot een strategisch geplande inzet van mensen en middelen vanuit de christelijke wereld tot 'verovering' van de niet-christelijke wereld (John Mott) . Het Missionair élan en gelovig enthousiasme gingen hand in hand met een militant triomfalisme, zoals dat de toenmalige westerse wereld beheerste.
Vaak wordt trouwens over het hoofd gezien dat de oorsprong van oecumenische beweging ligt in het besef van de noodzaak tot eenheid in de uitvoering van de zendingsopdracht.

 

Vanaf 1980 worden met name vanuit de Verenigde Staten tal van programma's ontwikkeld die strategieën bieden om op de kortste termijn het goede nieuws te brengen waar het nooit eerder verkondigd werd. Sprak men aanvankelijk van hidden people, steeds meer kwam de aanduiding unreached people (ook wel less reached) in zwang. Het beleid van Interserve richt zich op hard places : voor het Evangelie moeilijk toegankelijke gebieden en bevolkingsgroepen. De Church Growth Movement (McGavran) ontwikkelde speciale onderzoeksprogramma's die methoden aanreiken, die moeten leiden tot snelle groei van de kerk. In die school onderscheidt men nog weer de untouched people (zij die in de verste verten niet in aanraking zijn geweest met het Evangelie). David Barrett noemt het aantal van 1.645.685 'onbereikten' in zijn laatste statistiek (2002); Patrick Johnstone spreekt van 12.000 'ethnolinguistic peoples', waarvan er minder dan 50% ooit van het Evangelie heeft gehoord.

 

3. Wat te verstaan onder unreached?


Het gebruik van de aanduiding 'onbereikten' roept veel vragen op. MDO: 'Als mensen dit begrip in de mond nemen, wat bedoelen ze dan precies? In de Nederlandse context is het minder gebruikelijk om over onbereikten te spreken, eenvoudigweg omdat iedereen -ook dankzij de moderne communicatiemiddelen- wel eens gehoord heeft van de christelijke boodschap, of van een fragment daarvan. In ieder geval is iedereen in de gelegenheid om er kennis van te nemen (via de media, relaties, werk, school, literatuur, film, historie etc.). Ligt dat in andere delen van de wereld vandaag de dag zoveel anders?'

 

Deze vragen zijn ook Amerikaanse missiologen niet onbekend. David Barrett, Ralph Winter, Dave Hesselgrave en anderen breken er het hoofd over en hebben allen hun eigen definities van 'onbereikten', hoeveel het er zijn en waar ze wonen. Is een volk onbereikt als er geen enkele christen onder hen is, of is het onbereikt zolang er niet één levensvatbare gemeente van minstens 100 wedergeboren christenen onder dat volk bestaat?
Patrick Johnstone houdt in zijn handboek Operation World (6de editie 2001) vast aan een breed aanvaarde definitie. De term beschrijft 'people groups and areas that have not responded to the preaching of the Gospel'. Hij tekent daarbij aan dat strikt genomen niet het (uitblijven van een) reactie maatgevend is, maar de vraag of een people group al dan niet onder het bereik van het Evangelie is gekomen.


Op een andere plaats vond ik een doordachte omschrijving van de doelstelling, die een nadere bepaling geeft: 'het gaat erom dat er een vitale en vierende groep van gelovigen komt binnen het bereik van iedere man, vrouw en kind in de wereld; een inheemse gemeenschap die in staat is om de eigen omgeving het goede nieuws te communiceren zonder buitenlandse assistentie. Zo zal iedereen in de wereld de kans geboden worden om het Evangelie te leren kennen' (Ralph Winter).

 

Het is interessant naast laatst genoemde omschrijvingen een uitspraak van de oecumenicus Lesslie Newbigin te leggen. Wanneer hij aangeeft welke de kerntaken van de zending zijn, in onderscheid van andere kerkelijke taken, zegt Newbigin: dat zijn de 'intentional activities undertaken by the church to create a Christian presence in places where there is no such presence or no effective presence''.
Tussentijdse vraag: wat vinden we van beide uitspraken? Is hier sprake van twee visies die elkaar dicht naderen, of gaan er wezenlijke theologische verschillen achter schuil? Aan de oecumenische zending dringt zich de vraag op: krijgt kerkplanting binnen het geheel van de missionaire opdracht de aandacht die deze verdient?

 

4. Zendelingen


In Operation World heeft Patrick Johnstone een enorme hoeveelheid statische gegevens verzameld die per land de laatste stand van zaken weergeven. 'Missionaries' spelen een hoofdrol in de unreached-programa's. Johnstone geeft in een uitputtende lijst weer hoeveel zendelingen er binnen en vanuit elk land ter wereld zouden werkzaam zijn. In totaal zou het om 201.928 zendelingen gaan. Van hen dienen er 104.196 in eigen land, 58.357 in een verwante cultuur en 97.732 in een ander land dan waar zij vandaan komen. De Verenigde Staten gaan aan kop; Korea volgt met meer dan 10.000, nog voor Groot-Brittannië.


Uit de cijfers zou zijn op te maken dat het aantal zendelingen in Nederland is afgenomen, terwijl het aantal zendelingen dat vanuit Nederland naar elders in de wereld getrokken is, juist is toegenomen. Dat zouden er 1530 zijn. Zij zijn uitgezonden door in totaal 90 organisaties en zijn in 120 verschillende landen werkzaam. Het aantal zendelingen dat vanuit het buitenland in Nederland werkzaam is, is volgens Johnstone 296 en wel voor 62 organisaties uit 27 landen. Het grootste deel van hen komt uit de USA (139). Dan zijn er 36 Britten, 23 Canadezen, 20 Koreanen en nog 81 mensen uit 58 andere landen in ons land actief.

 

Het is zeer de vraag in hoeverre deze gegevens betrouwbaar zijn. Wanneer rekent Johnstone iemand als een 'missionary'? Tellen bijv. de uitgezondenen van de gevestigde kerken en 'tent-makers' ook mee? Is ook gedacht aan de overkomst van tal van zendelingen van het zuidelijk halfrond naar het Noorden? Niet-westerse migranten worden in Operation World vooral geclassificeerd als 'onbereikten', dat is als object van evangelisatie. De 'bedreiging' van internationale migratie zou, zo schrijft hij onder Global Issues to Watch, een 'enorme kans kunnen bieden voor christelijk getuigenis, aangezien de meeste migranten afkomstig zijn uit niet-geëvangeliseerde landen'. Onder het overzicht van Nederland wordt overigens wel terloops gewag gemaakt van een mogelijke outreach van migrantenkerken naar iedere cultuur.

 

5. Netwerken en programma's


Als het grootste mondiale netwerk voor wereldevangelisatie ooit noemt Patrick Johnstone de AD 2000 and Beyond Movement die in 1989 van start ging en in januari 2001 werd beëindigd. 'Het motto was: 'The Gospel for every person and a church for every people'. De focus werd voornamelijk gericht op het 10/40 Window.
Onder het 10/40 Window -ook wel Resistent Belt genoemd- wordt verstaan het gebied tussen de tiende en veertigste breedtegraad noordelijk van de evenaar, grote delen van Noord-Afrika, het Midden-Oosten en Azië omvattend, waar Islam, Hindoeïsme en Boeddhisme overheersend zijn. Dit gebied, aldus definieert Johnstone, 'kent de grootste fysieke en geestelijke noden, verreweg de meeste less-unreached en de meeste regeringen die niets moeten hebben van het christendom' (p.755). Het 10/40 Window is om strategische redenen opgedeeld in elf Affinity Blocs (zie afbeelding).

 

Veel activiteit werd ontwikkeld door het Joshua Project (vanaf 1995) . Dat wilde hulp bieden bij strategische planning, research en church planting door middel van een indrukwekkende lijst van 12.000 peoples, die voor het einde van de 20ste eeuw bereikt moesten worden.
Een ander Noord-Amerikaans project dat overal ter wereld research methoden aanbiedt, is het Caleb Project. Tijdens een ontmoeting bij de EZA met drie vertegenwoordigers die vanuit hun bureau in het Gooi de Nederlandse kerken en christenen willen adviseren over hoe onbereikte groepen in de grote steden van ons land -naar 'contextuele modellen'!- te bereiken, boden zij hun materiaal ter bestudering aan de NZR aan: Exploring the Land. Discovering Ways for Unreached People to Follow Christ.
Een krachtige organisatie met een basis in ons land is 'Operatie Mobilisatie'. Sinds 1957 mobiliseert OM jonge mensen uit verschillende kerken en landen om hen ergens in de wereld in te zetten bij de verkondiging van het Evangelie (onder meer via OM ships: Doulos, Logos). Momenteel zijn bijna 3.000 voltijd werkers, waaronder circa 120 Nederlanders, in meer dan 80 landen actief. Onlangs was er een Zendingsweekend op 'De Bron', alwaar, onder het thema 'Passie voor de onbereikte mensen', ruim 250 jongeren werden voorbereid op uitzending. De meeste van hen zijn aangemeld en worden uitgezonden via hun kerken.

Veel organisaties die bij de EZA (en EA) zijn aangesloten vinden inspiratie en steun in bovengenoemde mondiale 'evangelical' netwerken . Ook de EO leunt bij de uitvoering van zijn taak tot verkondiging via de ether op deze verbanden. De aandrang om de tallozen die nog nooit van Jezus gehoord hebben de kans te geven Hem te leren kennen, brengt nog steeds velen ertoe om voor de zending uit te gaan. Tegelijkertijd valt in evangelisch Nederland een nuchtere en kritische reserve te constateren ten aanzien van de Noord-Amerikaanse methoden, die als weinig cultuurgevoelig worden ervaren en een contextuele benadering in de weg staan.

 

6. Eerste evalutie

 

Als we het voorafgaande overzien, is een conclusie dat de aanduiding 'unreached' zijn plaats heeft in het kader van de strategie van de zending: het gaat om de pragmatische aanpak van het zendingswerk op basis van allerlei onderzoek en statistieken, zoals die kenmerkend zijn voor de nogal kwantitatieve Noord-Amerikaanse wijze van werken. Men zoekt de effectieve inzet van alle beschikbare methoden en middelen gericht op een maximale hoeveelheid 'onbereikten'. Meer systematische theologische bezinning ter onderbouwing is schaars. Men volstaat met te verwijzen naar Lausanne 1974. Daarbij worden de 'evangelical principles' voorondersteld als basis. Alle 'Grote Opdracht' christenen dienen zich in gehoorzaamheid aan het zendingsbevel van Mattheüs 28 eensgezind in te zetten voor strategische toepassing in de praktijk.

 

De volgende kritische vragen kunnen worden gesteld:
a. Kenmerken de Church Growth strategieën en -methoden en de unreached-programma's zich niet vaak door een overspannen activisme, waarin weinig ruimte voor de Geest overblijft? Is de vrije gang van Gods Geest zo makkelijk getalsmatig via database en statistieken te meten en in kaart te brengen?


b. Wordt voldoende weerstand geboden aan de verzoeking om het machtspotentieel van de religieuze markt (de zendingsboodschap als product) aan te wenden met de bedoeling het succes van de eigen zendingsonderneming in de statistieken te kunnen terugvinden?


c. Wordt de rol van planmatige zending niet geweldig overschat? De groei van de kerk in grote delen van de wereld vindt doorgaans niet plaats dankzij buitenlands geld en zendelingen: de explosieve groei en vitaliteit zijn vooral te vinden bij onafhankelijke autochtone bewegingen en niet bij 'stek'-kerken van buiten. Leert de geschiedenis niet dat niet zelden daar waar georganiseerde zending geen kans kreeg, de kerk werd overeind gehouden of zelfs tot bloei kwam (Armenië, China, Nepal).
Is er nog ruimte voor het paradoxale geheim van Paulus' apostolaat, waarin de kracht van God zich in menselijke zwakheid bewijst?


d. Wordt de wereld niet eenzijdig door een Amerikaanse, (ook politiek) conservatieve bril bekeken en geclassificeerd? Feit is dat de 'radical' evangelicals uit Azië, Afrika en Latijns-Amerika (vormen zij niet de meerderheid?) doorgaans meer 'down to earth' in de werkelijkheid staan; zij kiezen vaak voor een integrale benadering en weinig kunnen met de strategieën uit de Verenigde Staten die goeddeels voorbijgaan aan de roep om recht die wereldwijd opklinkt. Trouwens ook de Britse 'evangelicals' en veel evangelischen in Nederland richten zich wel op de onbereikten, maar gaan daarbij hun eigen wegen.


e. Loopt evangelisatie die zijn succes meet aan numerieke groei, geen gevaar te ontaarden in propaganda?
Houden unreached programma's voldoende rekening met de kritiek van proselitisme van de kant van de Orthodoxe kerken in het oosten van Europa?


f. Lopen sommige delen van de evangelical beweging geen gevaar zich in een periode van onzekerheid te verschansen in een houding en methoden van de 19de eeuw? (Newbigin)


g. Is de bijbelse fundering van de zending niet erg smal, wanneer 'Grote Opdracht'- christenen zich beperkt tot (een westerse uitleg van) Mat. 28 en een enkele andere bekende zendingstekst? Waar is het accent van Lukas 4: 'het Evangelie van de armen'? Is criterium in het eindgericht volgens Mat.25 niet het al of niet doen van gerechtigheid? Kan bij de ten hemel schreiende kloof tussen rijk en arm sprake zijn van een sense of urgency, zonder dat daarin de hartstocht om recht meeklinkt?
Er zijn 40 miljoen aids-patiënten in de wereld. Over untouched gesproken...

 

h. Maken wij uit wie 'bereikten' zijn? Is God de zendeling niet vaak ver vooruit? In Hand. 10-11 gaat het vooral om de bekering van Petrus tot de erkenning van de verrassende doorbraak van de Geest in vreemde culturen. 'In foreign mission we go to seek a vision. Christ is hidden there in heathen lands. When we reveal Christ to others, we reveal him to ourselves' (Rowland Allen, Missionary Principles, 1910!).

 

i. Houdt het westerse spreken van 'onbereikten' niet het risico in, dat de ander louter tot object wordt gemaakt van onze programma's? Bob Goudzwaard bepleit ten aanzien van ontwikkelingssamenwerking voor een omkering van perspectief. 'De relatie keert zich om (…). En zo verkeert de leugen van de onbereikbaarheid van de armen in de waarheid dat rijken voor hun inbreng, voor hun stem, voor hun aanklachten, zélf in zovele opzichten doof en onbereikbaar zijn, of zich voor hun stem onbereikbaar hebben gemaakt'. Wie uitgaat van een integrale visie op zending die plaats zoekt te geven aan de bijbelse oernotie van gerechtigheid, zal zich aangesproken weten en bidt dat de ogen en oren van de rijke kerken van het Westen opengaan. Can the West be converted (Newbigin)?

 

7. Theologische vooronderstellingen

 

Evangelicals leggen er vaak met klem op dat ieder mens er recht op heeft het Evangelie te horen. Het verlangen om de vele miljoenen mensen die tot nog toe niet met het Evangelie bereikt zijn daarmee in contact te brengen geeft een opmerkelijk engagement in de zending, welke vaak samengaat met grote persoonlijke offerbereidheid.
Welke theologische vooronderstellingen gaan er achter deze nadruk op het 'bereiken van de onbereikten' schuil? Onder andere is dat de nadruk op de noodzaak van persoonlijk geloof. Het eeuwig heil van de mens staat op het spel. Dit besef geeft het zendingswerk een 'drive' en een sense of urgency, een laatste ernst die onder 'ecumenicals' veel minder is aan te treffen.

Aan de oecumenische zending kan gevraagd worden welke de vooronderstellingen zijn van het denken in termen van 'dialoog', dat de afgelopen decennia niet zelden het getuigenis verdrong. Ging het daarbij vaak niet om een concept van de westerse rede, meer ingegeven door axioma's van de Verlichting dan door het Evangelie? Evangelicals mogen antwoord verwachten op hun vraag of de gedachte, alsof het niet uitmaakt of mensen Jezus als Heer leren kennen, niet oorzaak is van onverschilligheid ten aanzien van de zendingsopdracht.


Vraagt ons leven in de huidige pluralistische samenleving, de Scilla van fundamentalisme en de Charybdis van relativisme vermijdend, niet om een gezamenlijk opnieuw lezen van de Bijbel? Veel niet-westerse christenen leven ons in ieder geval voor, dat in een integraal getuigenis de lost en the poor niet langer tegen elkaar uitgespeeld kunnen worden.

Zending is onveranderd: het doorgeven van het goede nieuws van Jezus aan anderen. Hoe ver het heil van Christus reikt onder mensen van andere religieuze overtuigingen is niet aan ons om te beoordelen. Mogen wij ons de keuze tussen exclusivisme en inclusivisme laten opdringen? Het is de vraag of wij verder kunnen komen dan de formulering van San Antonio (1989): 'Wij kunnen geen andere heilsweg aanwijzen dan Jezus Christus; tegelijkertijd kunnen wij geen grenzen stellen aan de reddende kracht van God'. Die spanning is nog niet opgelost en het is de vraag of dat ooit kan en mag. Wel is zeker dat het voor onze deelname in Gods zending van wezenlijk belang is dat wij de -eschatologisch bepaalde- sense of urgency terug vinden, veel meer dan dat wij nieuwe strategieën en programma's ontwikkelen.

 

8. Een nieuw missionair tijdperk

 

Een van de opmerkelijke dingen die uit de statistieken naar voren komt is, dat er niet eerder in de geschiedenis zo veel missionaire activiteit is ontplooid. Er is sprake van een onstuimige groei van de wereldkerk en het aantal daarbij betrokken 'zendingsmensen' is nog nooit zo groot geweest als in onze dagen; het merendeel is uit het Zuiden afkomstig. Even opmerkelijk is dat deze ontwikkelingen aan het Westen lijken voorbij te gaan. Europa kenmerkt zich door verlies van vertrouwen in het Evangelie, teruggang van het christendom en een chronisch schuldgevoel over eeuwen van imperialisme. Zending staat voor velen gelijk met kolonialisme, arrogantie en zieltjes winnen. Ook in de kerken benadrukte men tot voor kort alleen de problematische zijden van zending. In het marginaliseren van de zending toonde de Wereldraad zich een westerse organisatie . In een klimaat waar zending werd gebrandmerkt als proselitisme en functionarissen steeds herhalen wat zending allemaal niet is, moest de zendingsafdeling van de WCC het steeds weer opnemen voor het recht van zending.


Vandaag lijkt er een kentering te zien. Zending staat weer op de agenda van de oecumene. In Harare (1998) riep de Wereldraad de lidkerken op zending hoge prioriteit te geven. De Carta Oecumenica van 2001 (CEC/CCEE) noemt de verkondiging van het Evangelie als de eerste taak van de kerken in Europa. En de Raad van Kerken in Nederland betreedt met de instelling van de Beraadsgroep Missionaire Presentie een voor haar nieuw beleidsterrein.

 

Een van de grootste misverstanden van het christendom na de oorlog in Europa is te denken dat het einde van het kolonialistische tijdperk het einde van de zending betekende. Iets anders is dat het tijdperk van de moderne zendingsbeweging als een vanuit het Westen aangestuurde onderneming voorbij is. Er hebben zich fundamentele veranderingen voorgedaan. De kerk heeft een mondiale uitbreiding gekregen. Als global community in a global village is de gemeente van Christus vrijwel in alle landen van de wereld met haar getuigenis aanwezig. Zendingsbasis en zendingsveld zijn overal.

 

Het christendom ontwikkelt nieuwe kracht als een niet-westerse religie; naar getal en vitaliteit ligt het zwaartepunt op het Zuidelijk Halfrond. De kerken van het Zuiden hebben het missionaire initiatief van de kerken van het Noorden overgenomen. Het eenrichtingsverkeer van het verleden heeft onmiskenbaar plaatsgemaakt voor de omgekeerde beweging: the South comes North.
De gevolgen voor de missionaire agenda zijn nauwelijks te overzien. Zijn wij als westerse kerken voorbereid om adequaat te reageren op het feit dat de wind (pneuma) uit een andere hoek is gaan waaien?

 

9. De rol van personele en financiële middelen


Wij beleven het einde van het oude westerse model. Dit model van de beroepszendeling, die werd uitgezonden tot de heidenen overzee is betrekkelijk jong (vanaf de 18de eeuw) en is als fenomeen een typisch product van de moderne zendingsbeweging. Niet-westerse christenen zit het diep in de botten dat de 'zendeling' niet zelden een symbool was van westerse macht en overheersing.


De Peruaanse evangelical Samuel Escobar pleit voor een nieuw paradigma van zending. Zending en missie vonden in Latijns-Amerika in het verleden onvermijdelijk plaats op basis van militaire en economische macht. Dat moet anders. 'Het idee dat alleen welvarende en grote kerken zouden kunnen deelnemen aan de wereldzending stamt uit het constantijnse paradigma, waarin de zending van bovenaf plaatsvindt en vanuit de centra van de macht'. Latijns-Amerika is bezig zicht te mobiliseren. COMIBAM werft over heel het continent recruten voor deelname aan de onvoltooide taak van de wereldzending. Vergelijkbare initiatieven dringen op vanuit Azië en Afrika. Wij hebben er nauwelijks weet van!


Arme kerken van het zuiden tonen visie voor zending; pentecostale en charismatische bewegingen laten een ongeëvenaarde missionaire dynamiek zien. Zij missen evenwel de middelen om zendelingen naar westers model uit te zenden. Gelukkig hangt de voortgang van het Evangelie niet af van westerse modellen en geld! Zouden niet uitgerekend de armen en geringen van deze wereld de evangelisten van de toekomst kunnen zijn, volgens nieuwe wegen die de Geest schrijft in de tijd?

 

Hoe dan ook, wij zullen moeten ermee moeten rekenen dat er naast de planmatige en op westerse leest geschoeide zending een krachtige mondiale zendingsbeweging in ontwikkeling is , die zich kenmerkt door het spontane getuigenis van mannen, vrouwen en kinderen overal waar de Geest van Christus hen brengt. Veel christenen uit arme landen, die hun toevlucht zoeken in het Westen in een poging te overleven, dragen niets mee dan het evangelie ; juist in alle tegenspraak zijn zij getuige van de kracht van de Gekruisigde die in menselijke zwakheid en gebrokenheid wordt volbracht. Zo zijn wij terug bij de eerste generaties van christenen. De uitbreiding van de kerk vond plaats via handelaars, slaven, vluchtelingen en asielzoekers. Onder de onnavolgbare regie van de Geest droegen zij het getuigenis van Jezus mee, overal waar zij kwamen.

Het aantal uitzendingen vanuit de kerken van ons land is de laatste jaren flink gedaald. Is, gezien de voortgaande secularisatie, een verdere teruggang van uitzendingen onvermijdelijk? Er is bezinning nodig op over de toekomstige wijze van deelname aan de wereldzending. Personele deelname staat buiten discussie, maar zal niet langer op onze condities kunnen plaatsvinden. Er zal samen met kerken uit het Zuiden en migrantenkerken gezocht moeten worden naar nieuwe modellen van interculturele zending, met een nieuwe rol voor missionair personeel die wij wellicht niet bedenken. Zullen wij bereid zijn ons in onze kwetsbaarheid nederig te laten bijstaan door anderen, die in onze ogen zwak zijn?

 

Er zal bij de nieuwe verhoudingen zeer kritisch gekeken moeten worden naar de rol van geld. Traditionele kwam de zendeling uit de rijke landen en droeg hij een geldbuidel en projecten mee. De westerse kerken dragen steeds minder bij, terwijl niet-westerse missionaire initiatieven het moeten doen met een uiterst krappe begroting. Welke rol speelt de factor geld nu de zending steeds meer gedragen gaat worden door arme kerken en bewegingen? Het blijft oppassen voor nieuwe vormen van bevoogding, waarbij initiatieven van elders weer onderdeel worden van onze westerse programma's met de daarbij behorende stijl en aanpak.


Tenslotte: wat betekent de almaar groeiende kloof tussen arm en rijk voor de uitoefening van de zending als opdracht van het ene ongedeelde lichaam van Christus wereldwijd? Staat een levensstijl die voorbij leeft aan deze werkelijkheid niet haaks op de verkondiging, waardoor het getuigenis bij voorbaat ongeloofwaardig en krachteloos is? Tijdens het evangelical Congress on the Wold Mission of the Church in Minnesota (1998) bracht Mark W. Thomson de relatie ter sprake van de zending tot de westerse economische en politieke dominantie, waarmee het christendom in de Verenigde Staten en Europa verweven is. Hij stelde de ongemakkelijke vraag: 'Is een kerk die zo dichtbij de mondiale centra van de macht leeft en werkt nog wel in staat tot een authentieke deelname aan de zending van het lichaam van Christus?'

 

10. Kerkelijke gevangenschap en onbereikten

 

We kunnen niet terug achter het inzicht dat zending plaatsvindt op basis van samenwerking tussen kerken wereldwijd. De partners overzee geven aan welke hulp zij wensen te ontvangen. Het is de vraag of oecumenische partnerrelaties soms geen doel in zichzelf zijn geworden: er is uitwisseling op allerlei terrein, maar de gemeenschappelijke zending staat in de veelheid van gemeentecontacten steeds minder centraal: er is sprake van een verschuiving van zending naar diaconaat/ontwikkeling, van getuigenis naar dienst; zendingsmensen worden fraternal workers.

 

Navraag bij MDO leert dat ruim 90% van het zendingsbudget gaat naar projecten van gemeenteopbouw, onderwijs, beurzen, sociaal en medische programma's administratie en contextuele programma's. Wat is, ook na de jongste reorganisatie, de eigen plaats van de 'M' van missionair in de afdelingen buitenland en binnenland van 'Kerkinactie'?
Bert Hoedemaker daagde onlangs de zending opnieuw uit zich te bevrijden uit vormen van 'kerkelijke gevangenschap' en 'diaconalisering', uit de omklemming van het doe-perspectief, uit een werkwijze die alles vertaalt in projecten zonder theologisch-zelfkritische discussie.

 

Vragen:

  • Is zending in woord en daad hetzelfde geworden als inter church aid?
  • Waar zet het beleid van de zending op in? Het zou goed zijn de programma's eens door te lichten op hun missionaire gehalte in die zin dat onbereikten worden bereikt?
  • Het aantal uitzendingen is de laatste jaren zeer gering: blijven de verzoeken uit, of zijn we doof voor aanvragen om assistentie? Hoeveel uitgezondenen zijn in directe zin betrokken bij evangelisatorisch werk dat zich richt op de onbereikten?
  • Is het wel juist in onvruchtbare relaties blijven steken, in bureaucratische verhoudingen aan partners te blijven vasthouden, of dient er zonodig buiten partnerrelaties om meer aan kerkplanting gedaan te worden? Zijn we creatief genoeg op zoek naar nieuwe partners, aan de fronten waar vandaag de beslissingen vallen en waar wat te beleven valt?
  • Lopen de gevestigde kerken, in hun negatieve houding ten aanzien van wat buiten de eigen structuren aan missionaire initiatieven te zien valt, niet gevaar op afstand te komen van de actie van de Geest van Christus?
  • Zullen allerlei vormen van 'genootschappelijke zending', zoals eerder in de geschiedenis, opnieuw plaatsvervangende dienst verrichten voor een niet-missionaire kerk?

Opmerkelijk is dat de evangelical zending vergelijkbare ontwikkelingen signaleert. Traditioneel acht die zich minder gebonden aan partnerkerken, door uit te gaan van de vraag waar het Evangelie nog nooit werd gehoord. Patrick Johnstone noemt het een kwalijke zaak, dat verreweg de meeste buitenlandse missionaries werken binnen 'people groups' die reeds lang zijn bereikt. Slechts 26% van de protestantse zendingsactiviteit gaat naar 'overwegend niet-christelijke gebieden'. Barrett gaat nog veel verder, wanneer hij berekent (hoe?) dat van alle energie, die christenen wereldwijd voor kerk en zending opbrengen, tenminste 95% binnen de christelijke wereld wordt besteed. Er zou amper 1% overblijven voor de werkelijke unreached.

 

11. Naar nieuwe vormen van organisatie

 

Het lijkt erop dat in de toekomst zending hoe dan ook veel minder aan kerkelijke structuren en instituten gebonden zal zijn, dan nu nog het geval is. Zending zal vooral gedragen worden door lokale gemeenten, door de mensen aan basis die zich identificeren met de zaak van het Evangelie. Tegen de achtergrond van deze ontwikkeling dienen bestaande organisatievormen kritisch tegen het licht te worden gehouden. Op welke wijze kan de missionaire dimensie in de structuur en het engagement van de kerken tot uitdrukking komen? Er is principieel en organisatorisch gezien herbezinning nodig op: a. de relatie zending en oecumene; b. de relatie home mission en foreign mission: c. de relatie zending en diaconaat/ontwikkelingswerk; c. de onderlinge afstemming van westerse en niet-westerse missionaire initiatieven.

 

Moedgevend is dat zowel onder 'ecumenicals' als 'evangelicals' de overtuiging is gegroeid , dat de zending niet afhangt van de inspanningen en programma's van onze organisaties. Zending is gezamenlijke deelname aan Gods zending (Missio Dei). Dat biedt veelbelovende openingen om bij de gemeenschappelijke uitdagingen en temidden van alle veranderingen te zoeken naar de noodzakelijke nieuwe vormen van samenwerking, die verouderde tegenstellingen weten te overstijgen.

 

12. Aanbevelingen

 

Naast de aanbevelingen die in hierboven zijn terug te vinden, formuleer ik tenslotte kort drie zaken die de komende jaren op de agenda niet mogen ontbreken:

  • Aandacht voor de 'onbereikten' in Europa en Nederland.
    De focus van de zending dient zich steeds meer op Europa te richten. Diverse Ako zijn in beginsel bezig met de vragen rond missionaire presentie en kerkplanting, daar waar de kerk vandaag niet aanwezig is. Wellicht kan deze thematiek in een vervolgtraject nader in kaart worden gebracht en uitgewerkt, in de richting van een gezamenlijk en zo breed mogelijk gedragen beleid.Vragen die worden gesteld zijn: waar zijn de 'witte plekken' in ons land (bv. grote steden, vinex-locaties; yuppies, jongeren, de Maarten 't Hart generatie, directies van multinationals, lost generation)? In hoeverre rekenen wij moslims en andere religieuze minderheden in onze samenleving tot de 'onbereikten'? Hoe verbindt zich een missionaire benadering met de inzet voor de rechten van vreemdelingen en migranten? Een heel andere vraag is: moeten (velen uit) de slapende kerken niet opnieuw bereikt worden?
  • Ruimte geven aan missionaire initiatieven uit het Zuiden
    In de beweging van het Zuiden naar het Noorden worden wij voor het eerst geconfronteerd met missionaire initiatieven, die niet uit onze koker komen. Afrikaanse, Aziatische en Latijns-Amerikaanse zendingsactiviteiten richten zich op Europa als zendingsterrein. Tegelijkertijd verblijven in Nederland vele migrantenkerken en -christenen (samen 800.000 en dus evenveel als er Gereformeerden en als er Moslims zijn), die doorgaans een grote missionaire uitstraling vertonen.
    Ook tegen de achtergrond van de toenemende etnische en maatschappelijke tegenstellingen is het urgent dat wij - evangelischen en oecumenischen samen- deze niet-westerse missionaire presentie niet langer negeren, maar op behoedzame wijze contact en samenwerking zoeken. Er liggen niet weinig voetangels en klemmen. De consequenties voor de invulling van onze missionaire agenda zijn niet te overzien, maar deze moeten onder ogen worden gezien.
    (zie bijlage: Wout van Laar, 'Kom over en help ons!', in: Soteria, 19de jaargang september 2002, p. 27-33)
  • Op zoek naar partners buiten het circuit
    Het verdient om hierboven uiteengezette redenen (par. 10, pag. 9) aanbeveling om in interkerkelijk beraad te zoeken naar relaties met kerken buiten het traditionele circuit. Inhoudelijke contacten met bepaalde Pinksterkerken van het Zuiden, als volkskerken van de armen en healing communities, die talloze en in menig opzicht 'onbereikten' nieuwe hoop bieden, zouden anderen en onszelf veel goeds kunnen brengen. Richard Shaull heeft ons overtuigend gewezen op de uitdaging van deze snelgroeiende kerken voor de oecumenische beweging en de kerken van het Noorden (Bestuursvergadering 24 mei 2002).
    Het pentecostale model, waarin de missionaire rol van de 'leken' zeer wervend centraal staat en financiële middelen vrjwel ontbreken, verdient nieuwsgierige en betrokken bestudering. Vanuit ons land zouden vertegenwoordigers uit de kring van evangelicals, pinkstergemeenten en oecumenischen deze uitdaging in een gezamenlijk project moeten aangaan. Geheel in de stijl van de pinksterkerken. Gelovig op weg gaan, zonder tevoren te weten waar je uitkomt.