| Bijbelstudie Hand. 11, door Drs. Wout van Laar | |
Geen verhindering | |
Maar er waren onder hen enige mannen uit Cypres en Cyrene, die na hun komst in Antiochië zich ook tot de Grieken richtten en hun het goede nieuws verkondigden: Jezus is Heer! Hand.11:20
Het boek Handelingen doet verslag van de doorbraak van het Evangelie naar de volken. Je proeft hoe opgetogen Lukas is over het feit dat in Christus 'de tussenmuur die scheiding maakt' is weggebroken (Ef.2:14). Na eeuwen van bittere haat en vijandschap tussen joden en heidenen kon men nu samen aan één tafel aanschuiven. Te weinig wordt opgemerkt hoe moeizaam deze doorbraak vanuit de joodse omheining naar niet-joodse culturen verliep. Vanaf het eerste begin stuitte de Geest in zijn gang van Jeruzalem naar Rome op taaie weerstanden en onbegrip. Steeds weer komt de traagheid van de eerste generatie christenen naar voren om de Geest van Christus daarin daadwerkelijk te volgen. Maar die laat zich daardoor niet ophouden. De Geest gaat verrassend verder en vindt ongedachte wegen om Jezus in te dragen in de Romeinshellenistische wereld.
Hand.11:19-24 is een cruciaal moment in deze omslag. Een groep christenen die vanwege een zware vervolging in Jeruzalem huis en haard heeft moeten verlaten, bereikt langs allerlei wegen de stad Antiochië. Derde wereldstad na Rome en Alexandrië, multiculturele smeltkroes van rassen en religies; leverancier van brood en spelen; met alle grandeur en misère van de grote stad.
Eerst spreken deze gevluchte joden(genoten) alleen tot de joden over Jezus. Maar enkelen van hen -Cyprioten en een paar zwarten uit Noord-Afrika- richten zich tegen alle regels in tot de heidense inwoners van een stad die van de hellenistische cultuur is doordrenkt. Dat betekent een ongehoorde breuk met de tot dan toe gevolgde lijn! De evangelieverkondiging vond immers plaats binnen de grenzen van de joodse cultuur. Je wist niet beter of je kon alleen christen worden door jezelf te laten besnijden en de wet van Mozes te houden. De eerste generatie christenen en evangelisten bestond dan ook vrijwel geheel uit messiasbelijdende joden en proselieten. En het heeft weinig gescheeld of het zou ook zo gebleven zijn.
Maar dan is daar dat stel asielzoekers; in hun poging het vege lijf te redden nemen zij hun toevlucht tot Antiochië. Zij kunnen het niet laten nu ook de Grieken het goede nieuws mee te delen en verkondigen dat Jezus Heer is.
In vers 20 lezen wij: zij verkondigden (lett.: evangeliseerden): Jezus is Heer (Kurios). Deze oerbelijdenis van deze christenen is op de nagel van een vinger te schrijven. Het gebruik van deze titel 'Kurios' in het heidense Antiochië is opmerkelijk en houdt enorme risico's in. De joodse vluchtelingen presenteren Jezus met gebruik van de titel die de heidenen hanteerden voor hun goden en heersers: kurios, heer! Weerloos als zij zijn, gaan zij de confrontatie aan met de keizercultus en het veelgodendom van het hellenisme. De belijdenis 'Jezus is Heer' sluit de erkenning van andere 'heren' uit. Het staat voor dit groepje christenen als een paal boven water, wat Paulus later zal schrijven aan de gemeente van de Griekse havenstad Korinthe: 'Er mogen goden en kurioi in menigte zijn, voor ons nochtans is er maar één God, de Vader en één Kurios, Jezus Christus' (IKor.8:5-6).
Wij lezen dat een groot aantal inwoners van Antiochië 'zich bekeerde tot de Kurios' (vers 21). Er wordt gebroken met het model van het proselitisme, dat in feite zegt: 'Kom, ga met ons en wordt als wij!' Van niet-joden die tot geloof komen wordt niet langer geëist dat zij zich laten besnijden en de wet van Mozes houden. Van de ander wordt niet gevraagd zich mijn adat en cultuur eigen te maken, om daarmee een complex van voorstellingen uit een andere tijd en van een andere plaats opgedrongen te krijgen.
De kern van de zaak is niet dat mensen zich keren tot onze kerkelijke gemeenschap of leer, maar dat zij zich bekeren tot de Heer. Bekering wil niet zeggen dat de oude cultuur wordt gedumpt; wel dat wij met heel de erfenis waarin wij geboren en opgegroeid zijn, een geheel nieuwe oriëntatie krijgen: wij worden op Christus gericht. Dat houdt beslist een breuk in; veel van het oude leven moet overboord. Maar het mag nooit gaan om het overnemen van de way of life van de ander, hoe oud en imponerend die ook mag zijn. 'Bekering impliceert dat alles wat er al is Christus toegewend wordt, waardoor Christus te maken krijgt met plaatsen, gedachten, relaties en visies, waar Hij tot dan toe buiten stond'.
Dat het Evangelie Antiochië bereikt, is niet het resultaat van de zendingsstrategie van de apostelen maar vindt plaats dank zij het spontane optreden van gewone mensen, van wie wij de namen niet eens kennen en onder omstandigheden die volledig waren onvoorzien. Het gaat door een vervolging heen, waarin de kerk wordt uiteengeslagen. Ontheemde vluchtelingen die asiel zoeken in de grote stad en die weerloos op de ontferming van anderen zijn aangewezen dragen het Evangelie Antiochië binnen.
In de moderne zendingsbeweging ging het precies omgekeerd: de westerse zendeling droeg doorgaans een goedgevulde buidel met geld en projecten mee. In de beleving van het arme Zuiden vertegenwoordigde de zending vaak de westerse beschaving met zijn macht en technische vooruitgang. De zendelingen in de vroege kerk hadden aan goud en zilver niets te bieden (Hand.3:6). Sterker nog: in Antiochië houdt men een financiële inzameling voor de noodlijdende moedergemeente in Jeruzalem. De joodse vluchtelingen brengen niets mee dan het Evangelie zelf in al zijn tegenspraak. De naam Heer zal voor hen een andere betekenis gehad hebben, dan deze later kreeg toen Jezus in de basilieken werd afgebeeld als Pantokrator (Albeheerser) en garant van de wereldlijke macht. Deze mensen die niets te verliezen hadden verkondigen Jezus tegen alle geldende patronen in als de gekruisigde Kurios, die regeert vanaf het hout. En van dat paradoxale geloof van Gods kracht in menselijke gebrokenheid zullen zij in hun uitzonderlijke gedrag zelf het krachtigste bewijs zijn geweest.
Jezus heeft iets met hen die leven aan de onderkant van deze wereld. Het is een feit dat het goede nieuws met name zijn kracht bewijst onder hen die naar de maatstaf van de wereld dwaas en zwak, onaanzienlijk en veracht zijn. Zijn het ook vandaag niet het de armen en naamlozen via welke de Geest, bijvoorbeeld in de weg van de migrantenstromen die door de wereld gaan, het Evangelie verder draagt? Tijdens het evangelistencongres 'Amsterdam 2000' werd ik getroffen door de diepe liefde waarmee eenvoudige deelnemers uit het zuidelijk halfrond over Jezus spraken. Zij doorbraken de strakke regie van het Billy Graham-circus en bogen die om tot een vitaal, creatief en vooral nederig gebeuren. De getuigenissen van hoop uit crisisgebieden als Sierra Leone en Sudan gaven weer hoe de gekruisigde Kurios transparant wordt in levens van mannen, vrouwen en kinderen; zij stonden haaks op de vaak tenenkrommende succes-stories uit de Noord-Amerikaanse hoek. Onder de nieuwe generatie evangelisten aan wie Graham de fakkel overdroeg gaan de armen voorop. Met name zij zullen de verkondigers van het goede nieuws zijn in de 21ste eeuw.
Interessant is het bijbelgedeelte in zijn verband te zien. Lukas geeft opmerkelijk veel aandacht aan de omslag van de joodse cultuur tot de heidenen. De Heilige Geest heeft handen vol werk om de eerste christenen daarin mee te krijgen. Aan het publieke gebeuren in Antiochië gaat de privé-ontmoeting tussen de apostel Petrus en de heidense hoofdman Cornelius vooraf. Twee zeer uitvoerige hoofdstukken (Hand. 10-11) geven die ontmoeting weer. Het gaat daarin vooral om de bekering van Petrus. Er moet heel wat gebeuren eer de apostel tot bekering komt en erkent dat God ook de heidenen zijn genade heeft geschonken in de doop met de Geest. Wanneer de Geest metterdaad over Cornelius en zijn huis valt, is hij overtuigd en roept Petrus uit: 'Zou iemand het water kunnen weren, om deze mensen te dopen die evenals wij de Heilige Geest ontvangen hebben?' (10:47). Later verdedigt hij zijn handelwijze voor de raad van apostelen en besluit met de woorden: 'Hoe zou ik dan bij machte zijn geweest God tegen te houden' (11:17)? Ineens besef je, dat het in de eerdere ontmoeting tussen de diaken Filippus en de zwarte eunuch niet anders is. De eunuch ziet water en zegt zijn metgezel op de wagen: 'Wat verhindert mij gedoopt te worden (8:36)? Er is geen belemmering! Ook de ontmande wordt in de gemeente Gods opgenomen.
Opvallend is het terugkerende werkwoord: tegenhouden, verhinderen. Drie keer keert de vragende vorm terug, die maar één antwoord open laat: nee toch! Daar waar God zelf de heidenen heeft aangenomen is niemand in staat het doopwater te weren! Menselijk verzet moet worden opgegeven! Gods werk is niet te keren en de Geest doorbreekt de grenzen, die door mensen zijn gemaakt.
'Verhinderen' en 'verheerlijken' vormen een paar; het eerste is de negatieve, door Petrus als onmogelijk vol te houden houding tegenover Gods actie; het tweede is de positieve reactie waarop wordt gewacht. Uiteindelijk maakt het 'verhinderen', in een gemeentevergadering te Jeruzalem waar Petrus verslag doet, plaats voor het 'verheerlijken' van God. Het protest is -voor een moment- verstomd. 'Zij kwamen tot rust en verheerlijkten God' (11:18).
In feite zie je hetzelfde weer gebeuren wanneer Barnabas kort daarop vanuit de moedergemeente in Jeruzalem op inspectie wordt gestuurd naar Antiochië, waar de zaak danig uit de hand was gelopen; ook zijn vooroordelen smelten weg en hij verheugt zich, 'toen hij daar aankwam en Gods genade zag' (11:23).
Het zal echter nog zeker tien jaar duren voordat de oncontroleerbare missionaire praktijk in en vanuit Antiochië tijdens het 'apostelconcilie' in Jeruzalem eenstemmig en met vreugde tot kerkelijk beleid wordt verklaard (Hand.15). Eerst komt het nog tot de scherpe confrontatie in de 'gemengde' gemeente te Antiochië. Paulus weerstaat Petrus openlijk, omdat hij uit vrees voor een deel van de joden-christenen aldaar een dubbelzinnige houding aanneemt, waarbij de doorbraak van de Geest op Pinksteren opnieuw in het geding is (Gal.2:11-14).
Er vinden in onze dagen ongekende verschuivingen plaats die niemand heeft voorzien. De situatie doet denken aan de omslag van de eerste eeuw, toen de basis van de kerk werd verlegd van Jeruzalem naar Antiochië, van de joodse cultuur naar de Romeins-hellenistische wereld en Europa. Nu heeft het zwaartepunt van de kerk heeft zich verplaatst naar het zuidelijk halfrond, van de oude centra naar wat vroeger de periferie heette. Het christendom is opnieuw een niet-westerse religie. De opzienbarende groei van de kerken van de tweederde wereld -in de migrantenkerken ook onder ons vitaal vertegenwoordigd- confronteert ons met nieuwe vertaalslagen van het Evangelie in Afrika, Latijns-Amerika en Azië (China!).
Vaak gaan die volledig om buiten de controle van zendingsstrategen; westerse missiologen weten er geen raad mee. Er kondigen zich nieuwe wijzen van kerk-zijn aan, die het gelaat van het christendom van de 21ste eeuw grondig zullen wijzigen. De ervaringen en inzichten die nu, bijvoorbeeld in Afrika, in situaties van leven en dood worden opgedaan, zouden wel eens van beslissende betekenis kunnen blijken voor het wereldchristendom en zelfs voor de toekomst van de mensheid.
Zijn de kerken van het Westen erop voorbereid om adequaat te reageren op de ingrijpende veranderingen, of overheerst het onvermogen? Durven wij er mee te rekenen dat God vandaag op mondiale schaal bezig is iets nieuws te doen, misschien juist vanuit de marges van onze wereld? Laten wij horen wat de Geest vandaag zegt tot de universele gemeenschap van 'allen die allerwegen de naam van Jezus Christus als Heer aanroepen' (IKor.1:2). En laten wij ons er met Barnabas in verheugen, dat Gods genade(gaven) op ongedacht veelkleurige wijze niet alleen in Antiochië, maar in meer landen en culturen dan ooit tevoren, te zien vallen. Hoe zouden wij dan in staat zijn het werk van God in traagheid en eenkennigheid te verhinderen, wanneer er -voor wie het maar zien wil- zoveel redenen bestaan om ons door de Geest van de gekruisigde Heer, binnen en buiten onze grenzen, te laten meetrekken in nieuwe wegen van zending en getuigenis?
'Geen verhindering', Een bijbelstudie over Handelingen 11:19-24, gehouden op 9 oktober 2002 tijdens het symposium 'Wereldwijde trends en de plaats van Europa in de zending' van de Evangelische Zendingsalliantie (EZA)