Uit: Uit: Centraal Weekblad, door Drs. Wout van Laar

Goede Vrijdag en Pasen in één adem:
Lijden en verheerlijking vinden beiden plaats aan het kruis.

 

Het lijkt vaak een opluchting: met Pasen is het lijden van Goede Vrijdag voorbij en wordt Jezus verheerlijkt. Maar zo ver moeten we lijden en opstanding niet uit elkaar trekken, vindt Wout van Laar. Jezus wordt ook al verheerlijkt in zijn lijden, zegt hij. De littekens blijven ook na de opstanding zichtbaar. Dat heeft gevolgen voor ons lijden.

 

Pasen en Goede Vrijdag worden nogal eens uit elkaar getrokken. In een Latijns-Amerikaans land als Chili lijken de mensen in de Stille Week compleet in nationale rouw: theaters dicht, volle kerken en emotionele diensten. Op Pasen echter zijn de stranden vol en de kerken leeg. Maar ook voor ons valt het niet mee de vreugde van Pasen op de juiste waarde te schatten in relatie tot het lijden en sterven van Christus. Goede Vrijdag is door donkerheid omgeven, Pasen door vrolijk licht. De evangelist Johannes voelt zich niet thuis in deze tegenstelling: het vierde evangelie beschrijft Goede Vrijdag en Pasen in één adem. Het is de Gekruisigde die koning is en de wereld regeert.

 

Tweemaal trof het mij dit jaar hoezeer het overwinningsmotief van Pasen aanwezig is in het lijdensverhaal van Johannes. De eerste keer was dat bij het beluisteren van de Johannes Passion. Op indrukwekkende wijze doet de Lutheraan Bach theologisch recht aan het eigen karakter van het Johannesevangelie. Het openingskoor zet de toon in majeur: ‘Heer, onze Heerser, wiens roem in alle landen heerlijk is, toon ons door uw lijden dat Gij, de ware Zoon van God, te allen tijd ook in de grootste vernedering verheerlijkt zijt geworden.' ‘Vernedering' en ‘verheerlijking' zijn kernwoorden in het vierde evangelie, die zeer nauw op elkaar betrokken worden. Bij ‘verhogen' en ‘verheerlijken' denken wij doorgaans aan de opstanding en de hemelvaart. Johannes ziet dat anders. Hij betrekt de genoemde woorden paradoxaal genoeg allereerst op het kruis. Jezus, de Gekruisigde is de Heer der heerlijkheid. De koning regeert vanaf het hout.

 

Raadselachtig


Het viel mij opnieuw sterk op toen ik dezer dagen had te preken over dat raadselachtige woord van Jezus uit Joh. 12: 32: ‘Wanneer ik van de aarde omhooggeheven (verhoogd) word, zal ik iedereen naar mij toehalen.'

Je zou denken: verhoging en verheerlijking komen straks. Jezus mag over het kruis heen zien; hij refereert aan het moment dat het allemaal voorbij zal zijn. Als hij eenmaal door de agonie van het lijden heen zijn macht zal hebben aanvaard, dan zal hij al zijn schapen –ook zij die niet van zijn stal waren- bij elkaar brengen: één kudde, onder één Herder. Direct na de feestelijke intocht in Jeruzalem verklaart Jezus dat het uur van zijn verheerlijking is gekomen. Voor geïnteresseerde Grieken is dat een aanwijzing dat zijn kroning tot koning der joden of zelfs wereldheerser op handen is. Zij hebben het bij het rechte eind, maar ‘verhoging' en ‘verheerlijking' zullen een invulling krijgen die absoluut indruist tegen het Hellenistische levensgevoel. Johannes legt uit, dat Jezus met ‘verhoogd worden' bedoelde de wijze waarop hij zou sterven (vs. 33). De Zoon des mensen wordt verhoogd aan het kruis, zoals Mozes de koperen slang heeft verhoogd in de woestijn. Op Golgotha wordt op het diepst zichtbaar, hoe ver het Woord in het vlees is getrokken. ‘En wij hebben zijn heerlijkheid gezien.'(Joh. 1).

 

De vroegste voorstellingen van de kruisiging beelden Christus af met opgeheven hoofd, de strijder die dood en hel verslagen heeft, de overwinnaar van alle machten van het kwaad. Het kruis is de zegevierende confrontatie met de machten van het kwaad. Dat spreekt Jezus uit in het voorafgaande vers: ‘Nu wordt het oordeel over deze wereld geveld en zal de heerser van deze wereld uitgebannen worden.' In de machteloosheid van het kruis valt de beslissing over de machten van de duisternis. Zij worden van hun troon gestoten en geoordeeld.

 

Het gebeuren op Golgotha heeft de schijn van het tegendeel: de machten van de duisternis spannen samen om Jezus te liquideren. Als een schertskoning wordt hij uitgebannen; als een verworpene hangt hij tussen hemel en aarde. De werkelijkheid is anders. De ‘overheden en machten', zoals Paulus hen noemt, hebben zich in hun actie verslikt. Zij hadden niet door dat zij in de Gekruisigde te doen hadden met de wijsheid en de kracht van God. Zouden zij dat wel hebben doorgehad, ‘dan zouden zij de Heer der heerlijkheid niet gekruist hebben' (1Kor. 2:8). Zij dachten hem voorgoed uitgeschakeld te hebben door hem met zijn pretenties aan het kruis te spijkeren en hem openbaar te schande te maken voor de wereld. Maar zij begrepen niet wat zij deden. Wat in feite gebeurde is dat Jezus de oude wereldorde aan het kruis heeft gebracht en dat hij daardoor zich heeft ‘ontdaan van de machten en krachten. Hij heeft ze openlijk te schande gemaakt en over hen getriomfeerd'. De reformator Luther gebruikt het beeld van het aas: als een moordzuchtige vis hapt satan toe om zijn prooi te verslinden. Op het zelfde moment spartelt deze aan de haak.

 

Valse pretenties


Het is goed om de wereld en zijn geschiedenis te bezien vanuit dit perspectief, in een tijd waarin velen het gevoel hebben geen grip meer te hebben op de ontwikkelingen. Diffuse machten lijken het leven te beheersen en de wereld in de richting van dood en destructie te drijven. Zoals ooit het machtige imperium van Rome werd uitgedaagd in de naam van de Gekruisigde, zo ontmaskert het kruis vandaag de goden en krachten die de wereld controleren en naar hun hand zetten in hun valse pretenties. Het maakt alle wereldse wijsheid en macht teniet en brengt de volken werkelijk samen. In een toespraak tot de 2 de Assemblee van de Wereldraad van Kerken (1954) stelde de toenmalige secretaris-generaal van de VN, Dag Hammerskjöld, dat het kruis de enige plaats is waar de naties werkelijk tot verenigde naties worden en de mensheid zijn eenheid vindt.

 

De opstanding is de bevestiging van Godswege dat deze lijdende de Zoon van God is. Met de opwekking van Jezus wordt de betekenis van het kruisgebeuren onthuld en krijgt het kruis wereldwijde betekenis. God neemt een voorschot op het laatste oordeel, de opstanding der doden en de herschepping van alle dingen. Het Lam Gods (Joh. 1: 29) heeft de zonde der wereld gedragen. Nu kan het bevrijdingsfeest van de exodus gevierd worden. Zo gezien zijn kruis en opstanding ondeelbaar.

 

Opvallend is dat Johannes ook kruis en Pinksteren heel dicht bij elkaar brengt. De evangelist geeft Jezus' sterven weer met de woorden: ‘en hij gaf de geest'. De theoloog Berkhof vermoedt op goede gronden hier een uitdrukking met dubbele bodem. Het Grieks kan ook vertaald worden met: ‘Jezus gaf de Geest, de Heilige Geest over '. Hij blies de laatste adem uit, maar daarmee kwam nu de Geest vrij, vrijwel in één adem met zijn overwinningsroep: ‘Het is volbracht!'(Joh. 19: 30). Deze roep van overwinning geeft aan dat het einde is gekomen en het doel is bereikt. Is het niet zijn Geest die, uitgaande van het kruis, mensen en volken aantrekt tot de Gekruisigde en deel geeft aan zijn overwinning?

 

Bij zijn eerste verschijning aan zijn leerlingen blaast de opgestane Heer zijn adem op hen en zegt, terwijl hij hen uitzendt: ‘Ontvangt de Heilige Geest.' Een preludium op Pinksteren, dat aangeeft: de werkelijkheid en de kracht van de Geest is te vinden bij de Gekruisigde, die als Verrezene aan hun -en aan Tomas afzonderlijk- zijn doorboorde handen en zijde toont. Zijn identiteit en die van zijn leerlingen zal blijvend gemerkt zijn door de littekens van zijn lijden.
Zo zijn voor Johannes Goede Vrijdag, Pasen en Pinksteren zozeer één dat zij wel op één dag lijken te vallen.

 

Navolging


Een les uit dit alles is dat we alleen deel krijgen aan de opstanding van Jezus, als wij ook bereid zijn te delen in zijn vernedering en lijden. Sören Kierkegaard heeft in zijn Einübung im Christentum zeven verhandelingen over deze tekst gegeven. Het betreft een dringende oproep om ernst te maken met het discipelschap en de navolging van Christus. Wie het voorstelt alsof Christus gezegd heeft, dat hij allen tot zich zou trekken als de Verheerlijkte, vervalst het christendom. ‘Wie meent Christus slechts in zijn hoogheid te kunnen liefhebben, diens blik is onzuiver; hij kent Christus niet. Deze laat zich niet bedriegen, gij ontkomt niet aan de vernedering.' In zijn ‘verhoging' trekt Christus allen tot zich; niet maar uit lijden naar heerlijkheid, zoals men –aldus Kierkegaard- al te gretig wil horen, maar naar het kruis zelf, naar de vervolging en het lijden. Zo wordt je leven middenin alle moeite en strijd getild op de hoogte van het lijden van Christus, samengegroeid in de gemeenschap aan zijn lijden. Alleen zo krijgen wij ook deel aan zijn opstanding.

 

Het behoeft geen betoog dat er een kloof gaapt tussen het evangelie van de Gekruisigde en het met veel poeha gepresenteerde Evangelie van Judas . Daarin gaat het over de kus die de ‘innerlijke Jezus' bevrijdde van de kerker van zijn lichaam, zodat de ziel naar het lichtrijk kan. Het Evangelie van Johannes daarentegen trekt Jezus ongelooflijk diep in het menselijke vlees. Dat leidt niet tot verlossing uit het aardse bestaan, maar tot verlossing en herstel van het aardse bestaan in de verwachting van Gods toekomst als nieuwe schepping. En dat biedt hoop voor onze gebroken wereld.

 

uit: Centraal Weekblad , 28 april 2006, no. 17, p. 12 door drs. Wout van Laar