Wat doet de NZR
 
 
 
 
 
 

Martijn van Laar, ‘Believing without belonging?' Reflecties de consultatie over kerk en zending van de Wereldraad van Kerken, Berklum, Duitsland, juni-juli 2002

   

Believing without belonging?

Reflecties de consultatie over kerk en zending van de Wereldraad van Kerken

 

Onder het thema 'Believing without belonging? In search of new paradigms of church and mission in secularized and postmodern contexts' vond in Breklum (Noord-Duitsland) onder de vleugels van het Nordelbisches Missionszentrum van 26 juni tot 2 juli 2002 een internationale consultatie plaats van de Wereldraad van Kerken. Te gast in het rustiek gelegen Christian Jensen Kolleg en bijeen met ongeveer vijftig deelnemers - grotendeels Europeanen en Noord-Amerikanen van middelbare leeftijd - hebben we ons een kleine week kunnen bezinnen op ecclesiologische en missiologische vragen. De meerderheid van de aanwezigen was theoloog en tevens in het bezit van een doctorstitel. Voor Peter en mij als Hollandse studenten (via bemiddeling van de NZR aanwezig) aanleiding om ons bescheiden op te stellen.

Centraal op de consultatie stonden de kerken in de geseculariseerde en postmoderne (overwegend westerse) context, geplaagd door voortgaande leegloop en genoopt tot reflectie op haar identiteit en structuur. Zijn onze vormen van kerk-zijn nog wel adequaat en kunnen ze nog wel aansluiting vinden bij onze cultuur? Veel kerken hebben moeite om gelovigen een thuisplaats te bieden. Veel mensen zeggen voor hun geloof de kerk niet nodig te hebben. Ze zien af van een geïnstitutionaliseerde en collectieve viering van het geloof, zoeken hun heil in alternatieve vormen van religieuze beleving en hebben moeite om zich te binden: 'believing without belonging'. Aan de hand van presentaties, lezingen en 'case studies' werd deze problematiek geïllustreerd vanuit verschillende contexten: Noord-Amerika, Groot-Brittannië, Ierland, Zweden, Letland, Hongarije, Rusland, Duitsland (West en Oost). Vanuit andere, zuidelijker delen van de wereld zou vervolgens worden gereflecteerd op de uitdagingen waarvoor zich de kerk in het sterk geseculariseerde en postmoderne Westen geplaatst weet. In de praktijk bleken deze bijdragen uit Mexico, Brazilië, Zuid-Afrika, India, Korea en Nieuw Zeeland hoofdzakelijk reflectie op de eigen context en problematiek te zijn, die echter verrassende overeenkomsten vertoonden met onze eigen westerse situatie. Naast deze plenaire ontmoetingen was er dagelijks een samenkomen in kleinere thema-groepen gepland. Elke dag werd begonnen met een liturgisch moment geleid door Peter Millar, voorganger van de Iona Community.

Kort wil ik enkele impressies geven van deze intensieve, maar inspirerende week. Hierbij beoog ik niet een verslag te geven van alles wat er is gezegd - alle bijdragen zullen naar de belofte van de Jacques Matthey, medecoördinator van de consultatie en redacteur van het International Review of Mission in laatstgenoemd tijdschrift worden gebundeld . Wel wil ik pogen enkele persoonlijke indrukken te geven van mijn eerste ontmoeting met de Wereldraad.

Eerst een algemene opmerking. Hoewel ik in eerste instantie ietwat verbaasd was over de grote eenstemmigheid onder de conferentiegangers met betrekking tot de noodzaak van een missionaire ecclesiologie, bleek tijdens de plenaire discussies achter de grote gemeenschappelijkheid in missionair vocabulaire een grote verscheidenheid aan begrippen en interpretaties schuil te gaan. Aanvankelijk dreigde ik zelfs teleurgesteld te worden door het feit dat de vele vertegenwoordigers van kerken, instituten en organisaties er op uit leken te zijn hun eigen ei te droppen, hetgeen een werkelijke communicatie en ontmoeting in de weg stond. Blijkbaar hoort dit echter bij een eerste kennismaking, want nadat (na het verstrijken van enkele dagen) iedereen elkaar wat beter had leren kennen - niet in het minst rond maaltijden, tea-times en overige informele trefpunten! - en een ieder wist wat voor vlees hij in de kuip had, konden de gesprekken vruchtbaarder verlopen. Naarmate de consultatie vorderde, kreeg ik de indruk dat zich toch een gezamenlijk missionair bewustzijn manifesteerde; een verlangen om, ontvankelijk voor het werk van de Geest, te zoeken naar wegen om in gehoorzaamheid en vertrouwen, in geloof, hoop en liefde kerk te zijn in de eigen context. Kort geef ik weer waar verschillende sprekers de missionaire uitdagingen zien voor de kerk van vandaag.

George Hunsberger, professor aan het Western Theological Seminary (Michigan) gaf een analyse van de individualistische Noord-Amerikaanse marketing cultuur, waar de kerk als 'religious economy' kritiekloos in meeging door het individu als 'sales manager' religieuze goederen en diensten aan te bieden. In zijn opvallend zelf-kritisch betoog bepleitte hij een 'critical contextualisation' en een innerlijke dialoog binnen de kerken tussen evangelie en cultuur. Ook de kerken vormen deel uit van de cultuur, de relatie 'evangelie-cultuur' is niet gelijk te stellen met de relatie 'kerk-cultuur'. Hunsberger beoogt een 'companionable mission' van kerken die zichzelf ook steeds weer laten bekeren tot het evangelie, van kerken die het koninkrijk niet stichten, maar ook zelf ontvangen, kerken die geen 'vendor of religion' zijn, maar een gezonden gemeente.

Ook in Engeland is een beweging nodig 'From management to Vision', zo stelde Simon Barrow, secretaris van de Churches' Commission on Mission van de Britse en Ierse kerken, in zijn met droge Engelse humor doorspekt referaat onder gelijk luidende titel. De kerk heeft aan publieke invloed enorm veel verloren. Slechts 1% van de bevolking zegt nog iets met de kerk te hebben. Van 1987 tot 1999 is het kerkbezoek met 20% afgenomen. In dezelfde periode bleek het aantal mensen dat een religieuze of spirituele ervaring zegt te hebben gehad met 60% te zijn gestegen. Voor Barrow aanleiding om goed te luisteren naar vormen van spiritualiteit buiten de kerkmuren, al is hij er zich van bewust dat hier meest sprake is van seculiere spiritualiteit. In haar poging de crisis te bezweren door vast te houden aan de institutionele kerkelijk structuren, miskent de Church of England de enorme afstand die er is met de cultuur van degenen die niet naar de kerk gaan. Barrow opteert voor een theologisch zelfverstaan van de kerk als creatieve minderheid. Missionaire strategieën zijn dikwijls vermomde machtspelen, nodig is echter een andere basishouding, aldus Barrow: een houding bepaald 'not by might nor by power, but by the compelling and vulnerable love of the crucified and risen Jesus'. David Kettle (Cambridge) sprak de wens uit dat de kerken zich bewust zouden worden van de tijd waarin we leven. Wat hij graag zou zien is een duidelijker 'awareness of the hour and the vocation that it brings', door terug te grijpen op de bronnen van de christelijk traditie.

Een uitgebreide cultuurfilosofische analyse van de Zweedse cultuur, die veel verwantschap vertoont met onze Nederlandse context, bood Hilda Lind uit Zweden. In een cultuur van multiculturaliteit, 'high-speed', industrialisatie en fragmentarisering liggen echter veel mogelijkheden voor de kerken om een integrerende en blik verruimende functie te vervullen, aldus Lind. Dat Zweden gestempeld is door religieus analfabetisme is niet enkel reden om te treuren, maar schept volgens haar kansen voor de kerk: jongeren hebben vandaag de dag weliswaar weinig kennis, maar ook een onbevooroordeelde en open houding jegens de kerken en het geloof.

Ari Knebelkamp, een in Duitsland wonende Braziliaan, vertelde in zijn vaderland een individualisering van de religie waar te nemen en een behoefte aan doorleefde ervaring van religie, die men niet in de gevestigde kerken aldaar zegt te kunnen vinden. Door de systematisering van het geloof en de strakke kerkstructuren raken mensen veeleer van de kerk vervreemd. Nodig zijn 'heilige und heilende' ruimten, zo zei Knebelkamp: vierende, vreugdevolle kerkdiensten die de mensen een thuishaven kunnen bieden, een plaats waar de diepe behoefte aan gemeenschap een plaats krijgt, waar men op adem kan komen temidden van een prestatiecultuur. Nodig is een 'Cidadania teologica'. 'Die Strategie Gottes hat eine Name: die Gemeinde!'. In de gemeente wordt het geloof gedeeld en de 'Traumlosigkeit' bestreden.

Dezelfde behoefte aan een affectieve gemeenschap signaleert de Mexicaanse pinkstertheoloog Daniel Chiquette onder zijn volksgenoten. Temidden van een harde werkelijkheid van drugs, alcohol en familieproblemen vinden mensen in de gemeente een herstructurering van het leven van alledag. Hij noemt het integraal levensbesef onder pinkstergelovigen, die God uit geen enkele levenssfeer willen uitsluiten en kunnen verhalen van authentieke ervaringen met God.

Ook Annemarie Kool, professor aan het Protestant Institute for Mission Studies te Hongarije, benadrukte in een enthousiast betoog de rol van de kerk als liefhebbende, zorgende en helende gemeenschappen. Zeker in een land als Hongarije, met een communistisch verleden getekend door wantrouwen en achterdocht, zoekt men naar betrouwbare, geloofwaardige en authentieke gemeenschappen, met een open relatie tot de wereld om hen heen en een bijzondere aandacht voor de vreemdeling en de minderheden. Kool verlangt naar een missionaire gemeente die een herstel van de bijbelse shalom beoogt en naar geloofwaardige leiders in het spoor van Christus, die als dienaar onder ons was. Haar Russische collega Vladimir Federov, directeur van het orthodox instituut voor zending en oecumene te St. Petersburg, zag ook kansen voor de kerk. Hoewel hij de Russische cultuur omschreef als een complex geheel met post-communistische, post-christelijke, post-byzantijnse elementen, had hij hoge verwachtingen van het theologisch onderwijs. Terug naar de bronnen, 'a new discovery of old things!'.

Weinig opbeurend was het betoog van Kersten Storch uit de voormalige DDR, ook een land met een communistisch verleden. Terwijl in 1945 nog 80% van de Oost-Duitsers lid was van de kerk, is dit getal in 1989 gedaald tot minder dan 25%. Ruim 70% van de bevolking zegt niet geïnteresseerd te zijn in welke religie dan ook en vindt religie maar absurd. Het 'bijgeloof' zegt men reeds lang te zijn kwijtgeraakt en te hebben verwisseld voor een ongebreideld geloof in de techniek, de wetenschap en de vooruitgang. Mensen hebben volgens Storch geen religieus taalveld meer. Voor kerken is het dan ook onmogelijk aan te knopen bij een religieus besef. Waar in de rest van Europa (in Nederland althans) lange tijd geroepen is dat religie 'in' is, raakt deze bewering in Oost-Duitsland kant noch wal.

Ook uit het Westen van Duitsland kwamen somber getinte verhalen. Reinhard Hempelmann, verbonden aan de Evangelische Zentrale für Weltanschaungsfragen, gaf een bondige cutuurfilosofische analyse. Hij concludeerde dat mensen niet meer religieus zijn. Toch wilde hij de spirituele dimensie van kerk-zijn voor het voetlicht halen. De theologie van de Missio Dei, met haar eenzijdige aandacht voor de sociale vragen, noemt hij deficiënt.

Met deze laatste opmerking raken we aan een punt dat ik in meerdere voordrachten en gesprekken meende terug te vinden. Gedurende de gehele consultatie viel mij op de grote nadruk die gelegd werd op de spirituele dimensie van de kerk. Klaus Schäfer, secretaris van het Duitse Evangelisches Missionswerk pleitte voor een hernieuwde aandacht voor spiritualiteit. De Duitse context schilderde hij als weinig florissant: het ledental van de kerken daalt drastisch, de kerk wordt gedreven naar de marge van de samenleving, verkeert in financiële crisis, etc… Temidden van een zich seculariserende cultuur, voltrekt zich echter ook binnen de kerken een proces van 'zelf-secularisatie', zegt Schäfer. Er is in de kerken wel oog voor de wezenlijke en noodzakelijke sociale en diaconale taak van de kerk, maar voor de even wezenlijke en noodzakelijke spiritualiteit en beleving ontbreekt binnen de kerken vaak de belangstelling. Willen we als kerk missionair zijn, zegt Schäfer, dan moeten we ons allereerst afvragen wat het evangelie voor ons zelf werkelijk betekent. Als kerk moeten we ons laten meenemen in een zoektocht, ons opnieuw laten verrassen door het evangelie. Een missionaire kerk vraagt om een 'holistische missiologie' (Forosky); het gaat zowel om engagement met het evangelie van Jezus Christus als om engagement met de ons omringende mens. Is hiermee de oude tegenstelling tussen 'ecumenicals' en 'evangelicals' overbrugd?

Ook in de group-reports was de spirituele dimensie goed vertegenwoordigd. Terugkerend motief is de wens dat kerken gemeenschappen mogen zijn waar mensen geborgenheid mogen ervaren en in hun diepste verlangens geraakt worden. Kerken hoeven zich op het spirituele vlak niet stil te houden, maar mogen ook spreken van wat hen vervult, van de levende hoop die in haar is, ze mogen op authentieke wijze gemeenschappen zijn van geloof, hoop en liefde. Hierbij moet de kerk niet vervallen in een traditionalistisch 'morfologisch fundamentalisme' (Hoekendijk) en koste wat het koste vasthouden aan oude structuren, maar zich voortdurend bezinnen op de context waarin ze gesteld is. Dat vraagt om een open houding jegens processen die zich buiten de kerken in de maatschappij afspelen, hetgeen kan leiden tot creatieve experimenten in vieringen en samenkomsten, beklemtoonde Wilbert Shenk in zijn terugblikkende rapportage. Hij pleitte voor een 'missional ecclesiology'.

Wat bij mij vooral is blijven hangen? Te veel op te noemen! In het bijzonder de case-study, in feite een getuigenis, van een jonge Ier heeft op mij en anderen indruk gemaakt. Hij woont in Belfast, in een van de wijken die door religieus geweld geteisterd werd, en is op die plek een inloophuis voor jongeren gestart dat nu zijn vruchten draagt. Hij getuigde van jongeren die door het evangelie zijn geraakt. Verre van een oppervlakkige en triomfalistische successtory, maar een enthousiast en bemoedigend verhaal!
Wat mij verder bij zal blijven is het breed gedeeld verlangen om als kerken de wegen van de Geest op het spoor te komen en te leren onderscheiden, vanuit het besef dat deze leeft en werkt. Een verlangen en een besef dat in de dagelijkse vieringen haast tastbaar werd.