De NZR, door Dr. Alle Hoekema

De Nederlandse Zendingsraad
Voorgeschiedenis, ontstaan en eerste periode

De oprichting van de Nederlandsche Zendingsraad (NZR) op 10 oktober 1929 kan eerder beschouwd worden als de afsluiting of bekroning van een lange incubatietijd dan als het verrassende begin van een nieuw tijdperk. Immers, reeds ver voor die tijd bestonden oecumenische initiatieven op missionair gebied in ons land. Sommige ervan zijn van grote betekenis geweest. Eerst in 1929 evenwel werden deze initiatieven geformaliseerd binnen een genootschappelijk en kerkelijk gedragen organisatie. In dit artikel gaan we allereerst in op de voorgeschiedenis van de NZR, om vervolgens de enigszins moeizame genesis van deze raad te beschrijven; we eindigen met opmerkingen over het functioneren van de NZR in het tijdvak tot en met de Tweede Wereldoorlog.

De voorgeschienis

De eerste vormen van samenwerking op missionair gebied ontstonden bijna een halve eeuw voordat de NZR zelf tot stand kwam. Hoewel naast de hieronder genoemde organisaties vele andere genoemd zouden kunnen worden, beperken we ons tot die instellingen, die op een of andere wijze hebben bijgedragen aan de oprichting van de NZR.

Nederlandsch-Indische Zendingsbond

Reeds in 1880 was de Nederlandsch-Indische Zendingsbond (NIZB) opgericht, een particulier initiatief van zendelingen en voor zendelingen, mede ondersteund door het Genootschap voor In- en Uitwendige Zending te Batavia. De NIZB organiseerde regelmatig conferenties, waaraan wegens de afstanden vooral zendelingen op Java deelnamen. Omdat de NIZB niet uitging van zendingsgenootschappen of kerken en daarmee ook geen officiële contacten onderhield, bestonden er ook voor gereformeerde zendelingen in wezen geen principiële hinderpalen voor lidmaatschap. De NIZB heeft tot zijn feitelijke opheffing in 1942 in Indië een bindende functie gehad, die nog eens versterkt werd door de regelmatige uitgave van de Opwekker , die van 1855 tot 1942 verscheen, dus ouder was dan de NIZB zelf, maar op den duur het officiële orgaan daarvan werd.

Algemeene Nederlandsche Zendingsconferenties

Eerst zeven jaar later, in 1887, ontstond op initiatief van de Evangelisch-Lutherse ds. P. van Wijk Jr. te Rotterdam en het Centraal Comité voor het Seminarium te Depok, in Nederland zelf het Comité voor de Algemeene Nederlandsche Zendings Conferenties (ANZC). Dat Comité stelde zich niet alleen ten doel jaarlijkse conferenties over zendingsthema's te organiseren, maar fungeerde ook als ‘verenigingspunt voor de verdeelde zendingsarbeid' (zo Van Wijk in 1885) en dus als

platform waar bestuurders van zendingscorporaties algemene zendingsbelangen konden bespreken. Verschillende thema's die in de latere periodes van belang bleven, werden hier reeds tentatief aan de orde gesteld: de noodzaak van een gemeenschappelijk seminarie, de rechtspositie van christen-Indonesiërs, de opiumpolitiek en ook de vraag of een vertegenwoordiger van de zending in Batavia nuttig zou zijn.

De ANZC zou decennia lang jaarlijkse conferenties organiseren en werd gedragen door een groot aantal organisaties. ‘Het [comité] heeft van 1887 af gedaan wat later de Commissie Van Advies en van 1929 af den Nederlandschen Zendings-Raad zou worden opgedragen', aldus Joh. Rauws in 1937. Als platform voor uitwisseling van visies op praktisch beleid functioneerde het Comité het beste gedurende de jaren voordat het Zendingsconsulaat tot stand kwam, in 1906. Lang heeft men zowel daar als binnen de NIZB en elders gebroed op een adequate naam en taakomschrijving voor de beoogde vertegenwoordiger in Batavia. Het mocht absoluut niet om een ‘zendingsbisschop' of een ‘director' gaan die de zendelingen zou gaan controleren. Zulke termen riepen diepe aversie op; dan zou de onafhankelijkheid van de verschillende zendingscorporaties immers in gevaar komen. Uiteindelijk verenigde men zich op ‘zendingsconsul' (ZC). Deze ZC zou vooral de belangen van de gezamenlijke protestantse zending tegenover de regering in Batavia moeten vertegenwoordigen. Zelfs dat woordje vooral in de instructie van de ZC zou naderhand nog ter discussie staan!

Zendingsstudieraad en andere initiatieven

Naast de ANZC ontstond in 1909 ook de Zendingsstudie-Raad (ZSR) die eveneens een aantal activiteiten ontplooide en werkgroepen initieerde. Toen de ZSR er eenmaal was en nuttig werk bleek te doen, wendde ze zich tot de corporaties om financiële steun: een half procent van de inkomsten van elke participerende corporatie. Naderhand werd dat voor een aantal zelfs opgevoerd tot ¾ %. De initiator van de ZSR was J.W. Gunning J.Hzn, die als Delfts student in 1908 tijdens een conferentie van de ANZC gegrepen werd door een pleidooi voor systematische bestudering van de zending. Na Gunnings vroege heengaan in 1923 werd het werk voortgezet door ds. H.D.J. Boissevain. Tot de activiteiten hoorde de uitgave van lectuur; zo verscheen de serie Lichtstralen op den akker der wereld (1895-1955) aanvankelijk met een aanbeveling van het ‘Comité voor Nederlandsche Zendingsconferentiën' (de hierboven genoemde ANZC), maar van 1921 tot 1947 als uitgave vanwege de ZSR. Ook de zeven delen uit de reeks Onze Zendingsvelden , waren een initiatief van de ZSR , evenals het tijdschrift Lunteren , dat van 1921-1942 verscheen, en het door Boissevain geredigeerde overzichtswerk De Zending in Oost en West .

Vanaf 1910 organiseerde men studieconferenties en in 1919 durfde de ZSR het aan het voormalige Militaire Tehuis in Lunteren aan te kopen en tot conferentieoord te verbouwen. Zelfs richtte men een eigen boekhandel op, de ‘Algemeene Boekhandel voor In- en uitwendige Zending', die echter zakelijk gezien een zorgenkind bleef. In de vergaderingen van de NZR in de jaren dertig werd er meerdere malen kritisch over gesproken in het kader van de bijdragen van de corporaties aan de ZSR, die zelf ook ter discussie stond: waren de uitgaven daarvoor evenredig aan het nut en waren na het ontstaan van de NZR geen onnodige doublures ontstaan? Moest de ZSR zich niet gaan beperken tot zijn hoofdtaak: studie? Voor 1934 werd de totale bijdrage van de deelnemende corporaties, welke binnen de NZR werd vastgesteld, teruggebracht tot fl. 13.440,00. Overigens was deze boekhandel de voorloper van de N.V. Boekencentrum, die in 1935 werd opgericht en ook ‘de zendingsgedachte wil propageren door het gedrukte woord.'

De ZSR stelde in 1920 een Onderwijzers-zendingscommissie in, die schoolboekjes uitgaf en een bundeltje met zendingsliederen samenstelde. En in 1928 ontstond op initiatief van de ZSR, in samenwerking met de NCSV, de SSR en de VU de Nederlandsche Studenten-zendingscommissie (NSZC) die eveneens, voor de eigen doelgroep, conferenties hield en studiemappen uitgaf. In zekere zin was deze Studenten Zendingscommissie de opvolger van de Nederlandsche Studenten Zendingsbond die ca 1909 was ontstaan. Na de Tweede Wereldoorlog zouden al deze organen deel gaan uitmaken van de NZR.

Alle Hoekema, ‘De Nederlandse Zendingsraad: Voorgeschiedenis, ontstaan en eerste periode'