Lezing voor EZA op 12 april 2010 te Voorthuizen door Wout van Laar

Veelkleurig getuigen vandaag.
Eeuwfeest wereldzendingsconferentie 1910

 

Op 14 juni 1910 vond in Edinburgh de plechtige openingszitting plaats van de eerste Wereldzendingsconferentie. Randall Davidson, aartsbisschop van Canterbury, waagde het in de slotzin van zijn rede te veronderstellen, dat ‘het zou kunnen zijn dat sommigen van hen die hier staan de dood niet zullen smaken totdat zij –hier op aarde en op een wijze die wij niet kennen- het koninkrijk van God zullen hebben zien komen met kracht’. Deze gedurfde toepassing van een van de meest in het oog vallende woorden van Jezus over het einde geeft aan hoe hoog de verwachtingen gespannen waren onder de conferentiegangers. Niet alleen zij deelden de overtuiging dat de conferentie van grote historische betekenis was en een unieke tijd inluidde. Ook latere kerkhistorici als Kenneth Scott Latourette zien Edinburgh 1910 als een beslissend moment in de geschiedenis van het christendom.

 

In 1910 kwamen 1200 zendingsmensen uit Europa en Noord-Amerika in Edinburgh bijeen. In het verlangen naar meer eenheid in zending sloegen zij de handen ineen voor de evangelisatie van de niet-westerse wereld. Edinburgh 1910 staat aan de wieg van de zendingsbeweging van de 20ste eeuw en van de oecumenische beweging. Er loopt een lijn naar de oprichting van de Wereldraad van Kerken in Amsterdam (1948). Maar ook ‘evangelicals’ met het Lausanne III Congres van Wereldzending in Kaapstad (oktober) vinden hun wortels terug in Edinburgh 1910.

 

De eerste wereldzendingsconferentie is niet denkbaar zonder de revivals in de 19de eeuw. Bovendien zijn de meeste leiders van de conferentie als John Mott gevormd in de internationale evangelische studentenbeweging, waar zending hoog op de agenda stond. Interessant is dat William Carey, Baptistenzendeling en pionier in India al in de 18de eeuw droomde van een wereldzendingsconferentie. Die zou in 1810 in Kaapstad (!) moeten komen. Het zou honderd jaar later worden.

 

Later zouden ‘ecumenicals’ en ‘evangelicals’ uit elkaar groeien. Zending vanuit de Wereldraad werd vooral gezien als: strijden tegen sociaal onrecht en zondige structuren. Er kwam een reactie van de evangelical beweging. Door het Lausanne-Congres in 1974 kreeg de zending nieuwe impulsen. Zending werd weer gezien als ‘evangelisatie’. Getuigenis stond tegenover dialoog, verkondiging tegenover sociale actie. Het was een periode van heftige polarisatie. De Britse evangelical John Stott bracht de tegenstelling scherp onder woorden tijdens de assemblee van de Wereldraad in Nairobi (1975): ‘Heeft de Wereldraad behalve voor ‘the cry of the poor’ nog wel oor voor the ‘cry of the lost’? Onder meer onder invloed van de niet-westerse kerken zijn de tegenstellingen vandaag sterk afgenomen. Jongeren weten al niet meer waar je het over hebt als je ‘ecumenicals’ en ‘evangelicals’ tegenover elkaar stelt.

 

Wat is het mooi om in 2010 in Nederland als evangelischen en oecumenischen samen het eeuwfeest van Edinburgh 1910 te vieren, ons samen te bezinnen op onze gemeenschappelijke wortels en ons af te vragen hoe wij de uitdagingen voor de toekomst samen kunnen oppakken!

 

Achtergronden Edinburgh 1910
De thema’s van Edinburgh 1910 waren onder meer: het Evangelie brengen aan de niet-christelijke wereld, de kerk op het zendingsveld, zending en overheid, en samenwerking en bevordering van eenheid. Met alle beschikbare middelen wilde men het werk van zending effectief organiseren en tot een gezamenlijke strategie komen. De verslagen weerspiegelen een enorme passie onder de deelnemers. De verwachtingen waren hoog gespannen. De wereld zou staan op de drempel van de beslissende uitbreiding van het christendom. De door God gegeven kansen moesten benut worden.

 

Er is veel op de conferentie af te dingen.

 

Ten eerste, Edinburgh bracht maar een klein deel van het christendom van toen samen. Zending was vooral een zaak van blanke protestanten uit het Westen. Hoofden en secretarissen van 160 zendingsgenootschappen waren vertegenwoordigd. Van de 1200 deelnemers kwamen er 500 uit Groot-Brittannië, 500 uit Noord-Amerika en 170 uit continentaal Europa. Nederland leverde officieel 14 afgevaardigden. Van het Zuidelijk halfrond waren er niet meer dan 18: een aantal Aziaten en een Turk. Latijns-Amerika schitterde door afwezigheid. Er was niet één zwarte Afrikaan onder de gedelegeerden; en niemand schijnt dat vreemd te hebben gevonden. De Rooms-katholieke kerk, goed voor bijna de helft van de christenheid van die dagen (47%) en de Oosters-orthodoxe kerken (20%) waren niet vertegenwoordigd. Ook de snel groeiende pinksterfamilie bleef buiten beeld. Hoewel het vuur van Azusastreet vanuit de opwekking van Los Angeles (1906) bezig was zich ongecontroleerd te verspreiden over de aardbol, bleven zij buiten beschouwing.

 

Ten tweede, wij zien nu hoe sterk zending toen was verstrengeld met het kolonialisme. Steeds meer krijgen wij door hoezeer de moderne zendingsbeweging een product is van een tijdperk dat definitief voorbij is. Vierhonderd jaar bewoog zending zich binnen het brede raamwerk van de Europese expansie. De zendelingen ontvingen medewerking en dekking van de koloniale machten; zij kregen land om zendingsposten te bouwen; handelsverdragen boden ingang in gesloten gebieden. Zeker, lang niet altijd leunde de zending op de koloniale macht. Niet zelden stonden zendelingen vooraan in de strijd tegen uitbuiting en voor de mensenrechten. Vaak identificeerden zij zich met de inheemse bevolking; zij leerden de lokale taal en gewoonten en droegen er aan bij dat oude culturen en talen werden bewaard.

 

Maar intussen blijft het wel waar: het christendom zag zich superieur als de ‘religie van de westerse beschaving’. Niemand voorzag de immense betekenis van Afrika voor het christendom van de toekomst. Afrikanen zag men als primitief, onderaan de ladder van de evolutie. Beschaafde christenen uit het Westen worstelden met de vraag of Afrikanen in hun primitiviteit wel zoiets kenden dat kon doorgaan als ‘religie’. De conferentiedeelnemers zagen grote mogelijkheden voor de zending in Azië. De grote beschavingen van dit werelddeel zouden op de drempel staan van een omwenteling door een christelijke reformbeweging waarin de elite vooropging. Maar van de weinige aanwezige Aziaten werd niet echt verwacht dat zij een eigen bijdrage zouden geven. Zij behoorden tot de ‘dochterkerken’ waaraan nog geen zelfstandige rol werd toegedacht.

 

De optimistische slogan van 1910 luidde: ’het Evangelie brengen aan de hele niet-christelijk wereld’ binnen één generatie. Het vertrouwen in de ideologische en financiële macht van het christendom was ongekend groot. De zendeling was de pionier van de westerse beschaving die streed voor uitbreiding van het territorium van het christendom; de taal was militant; woorden als ‘onbezette gebieden’, ‘strijdtoneel’ en ‘verovering’ werden veelvuldig gebruikt. De triomf van het christendom leek ophanden.  

Onthutsend en wrang is dat kort na 1910 miljoenen jongeren gemobiliseerd werden in het gigantische drama van de Eerste Wereldoorlog. In plaats van zich volgens de droom van Edinburgh eensgezind te wijden aan de zending overzee, slachtten tien miljoen jonge mannen elkaar af in de loopgraven van het christelijke Europa.

 

Onvoorziene ontwikkelingen
Toch proef je bij de deelnemers een ontluikende visie van één wereldwijde christelijke gemeenschap. Zij hebben iets voorvoeld van een christendom dat alle volken zou omvatten en ruimte zou geven aan de rijke verscheidenheid van culturen. Wat de deelnemers hoopten en waarvoor zij gebeden hebben, gebeurde; maar op een manier die niemand had kunnen voorzien. Er is vrijwel geen land ter wereld, of is wel ergens een christelijke gemeenschap te vinden. In 1910 werd Christus vooral met Europa en Noord-Amerika geassocieerd; een eeuw later is hij de Christus van de hele wereld geworden. Het gezicht van het christendom is onherkenbaar veranderd; maar dat gebeurde minder door de kanalen en beddingen die vanuit Edinburgh zijn gegraven. ‘Het meest effectieve instrument van de gedaanteverandering zouden niet de westerse zendingsorganisaties of instituties van welke soort ook zijn, maar veeleer een vreemdsoortig en soms onorthodox mengsel van inheemse voorgangers, profeten, catechisten en evangelisten, mannen en vrouwen die weinig of geen toegang hadden tot de zendingshoofdkwartieren en de rijkdom van dollars en pounds die de zendingsmachinerie draaiende hielden; in plaats daarvan hadden zij eenvoudig hun vertrouwen gezet op de transformerende kracht van de Heilige Geest’ (Brian Stanley).

 

Het echec van de westerse beschaving door de ‘Grote Oorlog’ bracht het Europese christendom een slag toe die het nooit te boven is gekomen. Niet langer viel het christendom vanzelfsprekend samen met de westerse cultuur. De crisis van Europa en zijn kerken (Auschwitz, dekolonisering, secularisatie) betekende echter niet het einde van de zending. Het is fascinerend om te zien hoe het Evangelie over de wereld is gegaan. Terwijl in de vroegere thuislanden van de zending veel kerken moesten sluiten, zijn in de oude zendingsgebieden veel kerken explosief gegroeid. Het spontane getuigenis van lokale evangelisten en leken droeg vaak meer vrucht dan de inspanningen van de buitenlandse zending en zijn instituten. In landen als China en Indonesië bloeide het christelijk geloof op zodra de laatste zendeling het land was uitgezet. Juist onder zware vervolging breidde de kerk zich op wonderlijke wijze uit.


Kenmerkend voor de verbreiding van het Evangelie in de afgelopen eeuw is dat die vooral niet-planmatig was. De missionaire beweging ontwikkelt zich goeddeels buiten westerse organisatiestructuren om: via ongecontroleerde migratiebewegingen die over de wereld gaan, dragen mannen, vrouwen en kinderen het goede nieuws van Jezus mee, overal waar de Geest hen brengt delen zij dit met anderen. De sterkste verspreiding zie je in, wat je kunt noemen, de Galilea-gebieden van deze wereld. De 20ste eeuw heeft laten zien dat juist onder de armen die in de marges van de wereldsamenleving in hun dagelijkse strijd om te overleven, in menselijke gebrokenheid en zwakheid, het Evangelie zijn kracht bewijst als een boodschap van hoop en vreugde.

 

Het raamwerk van de zending is compleet veranderd. Traditioneel ging de beweging van Noord naar Zuid, van rijk naar arm, van de centra van de macht naar de periferie, van boven naar beneden. De ‘zendeling’ vertegenwoordigde de rijke wereld en droeg doorgaans geld en projecten mee. In onze dagen zijn wij voorla getuigen van het omgekeerde: de hoofdstroom van de missionaire beweging gaat van Zuid naar Noord ( en van Zuid naar Zuid), van de arme naar de rijke wereld, vanuit de marges naar de centra van de macht, van onderaf naar boven. Vanuit situaties van onrecht en armoede ontstaan nieuwe vormen van zending. Er blijkt een verband tussen zending en onmacht, tussen getuigenis en kwetsbaarheid.
Het zwaartepunt van het christendom is verschoven naar het Zuidelijk halfrond. Bijna tweederde van alle christenen leven in Afrika, Latijns-Amerika en Azië. Het Afrikaanse christendom is geen exotisch fenomeen in een donker deel van de wereld, maar geeft de wereldkerk een nieuw gezicht. Afrikaanse zendelingen komen deze kant op ‘om het Evangelie terug te brengen naar de spirituele Sahara van Europa’.

 

De wereldkerk in eigen land
De verschillen tussen 1910 en 2010 zijn groot. Honderd jaar geleden was Nederland even christelijk als blank. Het grote verschil met toen is dat de christenheid van Nederland niet langer wit, maar ongekend veelkleurig is. Ons land telt 800.000 migrantenchristenen. Op een doorsnee zondag kom je in Amsterdam meer migrantenchristenen tegen op weg naar een van hun samenkomsten, dan witte Nederlanders op weg naar hun kerkgebouwen. De naam van God wordt er geprezen in meer dan 85 vreemde talen. Dat willen wij straks samen vieren op het Opwekkingspodium in de Flevopolder. Met Pinksteren willen wij voor het oog van de wereld zichtbaar maken dat het lichaam van Christus een multicultureel gezicht heeft.

 

In 1910 legden christenen hun verschillen opzij en vonden elkaar in een diep verlangen naar meer eenheid in zending. Er leefde een sterk gevoel van urgentie: nú was het moment om op te staan en zich samen door de Geest van Christus te laten meetrekken in nieuwe wegen van getuigenis. Honderd jaar na Edinburgh vinden christenen uit allerlei tradities en achtergronden elkaar opnieuw. Je merkt het om je heen. Het verlangen om samen te staan in de ene zending van God groeit. Nu instituties uit de vorige eeuw verbrokkelen en kerkmuren poreus blijken, laten wij oude tegenstellingen achter ons. Samen zoeken wij naar het kairos-moment van vandaag: het gaat erom te onderscheiden wat in de crisis waarin de wereld zich bevindt juist nu gezegd en gedaan moet worden.

 

In een verharde samenleving waarin mensen en groepen elkaar uitsluiten en stigmatiseren, mogen christenen het verschil maken. In onze generatie beleef je als christen het voorrecht te behoren tot een uniek World Wide Web, waarin de rijkdom van ontelbare tradities en culturen is samengebracht. In het lichaam van Christus zijn etnische tegenstellingen overbrugd in Hem die het Hoofd is. Het zou kunnen zijn dat de ontmoeting met de kerken van het Zuiden de vermoeide kerken van het Noorden injecteert met nieuwe visie en hoop. Eensgezind strekken wij ons uit naar de Geest van Pinksteren: alleen hij kan verlamming en depressiviteit doorbreken en de kerken terugbrengen bij haar eerste liefde.