
Wout van Laar, ‘Missionaire betekenis van de charta oecumenica' |
||
Missionaire betekenis van de charta oecumenica |
||
| Op 19 januari van dit jaar vond in Utrecht de symbolische ondertekening plaats van de Charta Oecumenica door 14 vertegenwoordigers van de lidkerken van de Raad van Kerken van Nederland. De Charta kan worden gezien als het nieuwe oecumenische handvest voor de kerken van Europa, zoals dat een klein jaar eerder in Straatsburg werd aanvaard door de Conferentie van Europese Kerken (CEC) en de Rooms-katholieke Bisschoppenconferentie van Europa (CCEE). De reacties luidden heel verschillend. Enerzijds was en is er kritiek: het zou gaan om een inspiratieloze worst, volgepropt met waarheden maar weinigzeggend. “Je kunt zoiets wel ondertekenen, maar zo gauw je concreet wordt, komen de spanningen op tafel”. Anderzijds hoor je zeggen dat het niet niks is om het eens te warden over een tekst. Het is heel wat dat kerken uit alle delen van ons werelddeel verplichtingen ten opzichte van elkaar aangaan en zich bereid verklaren tot gezamenlijke inzet voor het heil en welzijn van Europa. De Charta Oecumenica is inderdaad een niet onbelangrijk markeringspunt. Er is op grond van jarenlange oecumenische inzet wat bereikt. Er ligt een werkdocument waarmee kerken ieder in de eigen context aan de gang kunnen. Wat betekent de Charta voor de kerken en lokale gemeenten en parochies van Friesland? Het kan niet verbazen dat ik als secretaris van de Nederlandse Zendingsraad vooral inga op de missionaire betekenis van de Charta Oecumenica. Niet alleen omdat mijn ervaringen op dit terrein liggen kies ik deze invalshoek, maar ook omdat ik in de overtuiging gegroeid ben, dat de verlangde eenheid van kerken alleen een unity in mission kan zijn. Eenheid komt zelden tot stand in de weg van onderhandeling over de leer (verzoening, ambtsopvatting, doop). Zoals het SoW-proces heeft laten zien, is (re)organisatie evenmin de meest bezielende weg om tot eenheid te komen. De geschiedenis heeft laten zien dat eenheid ontstaat waar men zich samen laat meetrekken in de zending, verstaan als initiatief van God (Missio Dei) en eerste opdracht van de kerk. De Charta Oecumenica is op dit punt niet onduidelijk. Na hoofdstuk I over het geloof in de “ene heilige katholieke en apostolische kerk” wordt als de belangrijkste taak van de kerken van Europa aangegeven (11,2): “om samen het Evangelie te verkondigen, door woord en daad, tot heil van alle mensen. Het gebrek aan oriëntatie van velen, de vervreemding van christelijke waarden, maar ook het veelvuldig zoeken naar antwoorden op zingevingvragen dagen christenen, mannen zowel als vrouwen, uit om van hun geloof te getuigen'. Sociale inzet en het dragen van politieke verantwoordelijkheid staan daar niet los van. Er wordt een concreet commitment uitgesproken “Wij verplichten onszelf ertoe met andere kerken over onze initiatieven voor evangelisatie te spreken, daarover afspraken te maken en zo nadelige concurrentie en ook het gevaar van nieuwe verdeeldheid te vermijden”. Deze uitspraken staan niet op zichzelf. Zij moeten verstaan worden in het kader van bredere ontwikkelingen, die ik ook vanuit mijn werk signaleer. 1k noem twee trends die met elkaar samenhangen: 1. Zending is weer terug op de agenda van de oecumene In het Westen is zending lange tijd negatief bekeken. Zending staat voor veel mensen gelijk met kolonialisme, arrogantie en zieltjes winnen. Ook in de kerken benadrukte men tot voor kort vooral de problematische zijden van zending. In de oecumenische beweging gold zending als stiefkindje. In de wereldwijde organisaties heerste een klimaat waar zending werd gebrandmerkt als proselitisme. Terwijl functionarissen herhaalden wat zending allemaal niet is, moest de zendingsafdeling van de Wereldraad het steeds weer opnemen voor het recht van zending. Ook de Europese Raad van Kerken (CEC) hield zich vooral bezig met sociale en politieke vragen. Hetzelfde kan gezegd worden van de Raad van Kerken in Nederland, die zich vanaf de oprichting in de “roaring sixties” op weg begaf vanuit het optimistische geloof in de maakbaarheid van de samenleving. In al die activiteit kwam de zending niet voor. Vandaag lijkt er een kentering te zien. Zending staat weer op de agenda van de oecumene. Tijdens de Assemblee van Harare (1998) riep de Wereldraad de lidkerken op om zending hoge prioriteit te geven. Twee jaar eerder had de Wereldzendingsconferentie van Salvador de afgevaardigden op het hart gedrukt zending allereerst in de eigen context waar te maken. Beide internationale oproepen hebben in Europa kennelijk gehoor gevonden. De CEO heeft onlangs initiatieven genomen om te komen tot een oecumenische visie en strategie voor “mission in Europe”. De kerken over heel Europa zien zich voor dezelfde brandende vraag gesteld: “Hoe kan het Evangelie van heelheid en verzoening vandaag worden gecommuniceerd als een reële optie voor de Europese volken”? “Hoe kan de oecumenische beweging van Europa tot een levende bron worden, waar inspiratie en gaven tussen de kerken worden gedeeld ter wille van de ene taak, zo dat zij zelf tot vernieuwing komen als ook worden toegerust tot onbevreesd getuigen?” Op tal van plaatsen zijn creatieve en gedurfde experimenten waar te nemen die leiden tot missionaire vernieuwing van lokale gemeenten. Traditionele zendingsorganisaties richten nu hun aandacht op Europa als zendingsterrein. Nieuwe vormen van christelijk getuigenis ontstaan in de multireligieuze context van grote steden en industriegebieden. Er bestaat grote behoefte aan meer onderlinge afstemming van de veelheid van initiatieven. Ook in ons land doen zich belangrijke verschuivingen voor. Bij de laatste herstructurering koos de Raad van Kerken ervoor om de missionaire opdracht hoog op de agenda te plaatsen. Met de recente instelling van de beraadsgroep Missionaire Presentie betrad de Raad een nieuw beleidsterrein, waaraan vanaf de oprichting nog nooit expliciet aandacht was gegeven. Enerzijds constateert de Raad verlegenheid bij het kerkelijk kader ten aanzien van ‘zending' en ‘evangelisatie'. Veel christenen zijn onzeker en vinden de woorden niet meer; kerken en gemeenten hebben er moeite mee om het christelijk getuigenis overtuigend en wervend naar buiten te brengen. Anderzijds is waarneembaar dat er binnen de lidkerken meer aandacht groeit voor de missionaire gestalte van de kerk. Bovendien blijkt de samenleving, ondanks de secularisatie, vaak een positieve verwachting te hebben van de kerk; overheden staan weer open voor de visie en bijdragen van kerken en christelijke gemeenschappen. Tegen deze achtergrond acht de Raad het gewenst “dat kerken nieuwe wegen zoeken voor de communicatie van het Evangelie in onze huidige samenleving”. De beraadsgroep Missionaire Presentie heeft tot taak zich daarop te bezinnen en de uitwisseling van ervaringen met uiteenlopende vormen van communicatie van het Evangelie in een geseculariseerde samenleving te stimuleren en te analyseren, alsmede mogelijke werkwijzen en modellen te ontwerpen die de voortgang van het Evangelie kunnen bevorderen. In januari ging de beraadsgroep van start. Bijzonderheid is dat zij niet alleen bestaat uit leden van de lidkerken, maar dat ook mensen uit kerken en gemeenschappen die niet in de Raad vertegenwoordigd zijn, deelnemen. De weerspiegeling van de breedte van de kerken geeft aan deze beraadsgroep, gesitueerd op het snijvlak van ‘oecumene' en ‘zending', bijzondere mogelijkheden. In contact met de missionaire praktijk blijken de oude scheidsmuren tussen ‘oecumenici' en ‘evangelischen' wel eens weg te vallen met name wanneer aan jongere generaties in beide kampen de ruimte wordt gegund om, aan overleefde polarisaties voorbij, nieuwe wegen te zoeken van getuigenis en dienst. 2. Naar een niet-westers gelaat van de wereldkerk Europa kenmerkt zich door verlies van vertrouwen in het Evangelie. In veel gebieden is de teruggang van het christendom dramatisch. Kerken leiden een in zichzelf gekeerd bestaan en lijken nog steeds verlamd door een chronisch schuldgevoel over het verleden van oorlogen en imperialisme. Een van de grootste misverstanden van het christendom na de oorlog is echter te denken dat het einde van het kolonialistische tijdperk het einde van de zending betekende. Het getuigt van wereldvreemdheid, wanneer westerse missiologen de huidige tijd aanduiden als een post-missionair tijdperk. Een opmerkelijke ontwikkeling van vandaag is nu juist dat er niet eerder in de geschiedenis zo veel missionaire activiteit is ontplooid als in onze dagen. Er is sprake van een onstuimige groei van de wereldkerk en het aantal daarbij betrokken ‘zendingsmensen' is nog nooit zo groot geweest. Iets anders is dat het tijdperk van de moderne zendingsbeweging als een vanuit het Westen aangestuurde onderneming voorbij is. Er hebben zich fundamentele veranderingen voorgedaan. De kerk heeft een mondiale uitbreiding gekregen. Als een global community in a global village is de gemeente van Christus vrijwel in alle landen van de wereld met haar getuigenis aanwezig. Het christendom ontwikkelt nieuwe kracht als een niet-westerse religie. Naar getal en vitaliteit ligt het zwaartepunt op het Zuidelijk Halfrond. In situaties op leven en dood worden nieuwe wegen van navolging gevonden, die de traditionele oecumenische beweging uitdagen om oude modellen van zending en kerk-zijn te herzien. Het begint zich af te tekenen dat de kerk van de 21ste eeuw een niet-westers gezicht krijgt. Globaal genomen hebben de kerken van Azië, Afrika en Latijns-Amerika het zendingsinitiatief al van de kerken van het Noorden overgenomen. Het eenrichtingsverkeer van het verleden heeft onmiskenbaar plaatsgemaakt voor de omgekeerde beweging: the South comes North. Steeds vaker worden wij geconfronteerd met niet-Europeanen, die Europa als zendingsterrein zien. Wij zullen ermee moeten rekenen dat er naast de planmatige en op westerse leest geschoeide zending een krachtige mondiale zendingsbeweging in ontwikkeling is, die zich kenmerkt door het niet georganiseerde en spontane getuigenis van mannen, vrouwen en kinderen overal waar de Geest hen brengt. Veel christenen uit arme landen, die via migrantenstromen hun toevlucht zoeken in het Westen in een poging te overleven, dragen niets mee dan het Evangelie; in alle tegenspraak zijn juist zij getuige van de kracht van de Gekruisigde die zich manifesteert in menselijke zwakheid en gebrokenheid. Zo komen wij terug bij de eerste generaties christenen. De uitbreiding van de kerk vond plaats via handelaars, slaven, vluchtelingen en asielzoekers. De gevolgen van deze ontwikkelingen voor de agenda van zending en eucumene zijn nauwelijks te overzien. Zijn wij er als westerse en Friese kerken erop voorbereid om adequaat te reageren op het feit dat de wind (pneuma) uit een andere hoek is gaan waaien? De Charta Oecumenica daagt ons uit om ons opnieuw te bezinnen op de eerste opdracht van de kerken: samen het Evangelie te verkondigen, te beginnen in de eigen omgeving. Daarbij mag zending niet betekenen: het christendom van vroeger restaureren, her-evangelisatie als actie van heimwee naar het Corpus Christianum van de kerk als machtsfactor. Zending mag ook nooit worden verward met proselitisme en zieltjes winnen voor de eigen toko. De termen ‘zending' en oecumene' hebben voor velen een negatieve klank. Beide hebben hun eigen geschiedenis en beeldvorming; zij roepen verouderde associaties en vooroordelen op. Maar dat betekent niet dat wij ze om die reden maar moeten opgeven. Het is zaak om deze begrippen vanuit een nieuw luisteren naar de bijbel te herijken en vruchtbaar op elkaar te betrekken, in het dynamische perspectief van unity in mission. De huidige structuren van oecumene en zending zijn niet voor de eeuwigheid geschapen; het is goed wanneer er landelijk, regionaal en plaatselijk op basis van een inhoudelijke visie wordt gezocht naar een vormgeving en organisatie die beantwoordt aan de zich snel wijzigende verhoudingen. Hoe kan de traditionele oecumenische beweging zich laten terugvoeren tot zijn missionaire oorsprong en daaruit nieuwe impulsen putten? En hoe kan omgekeerd de zendingsbeweging uit de vorige eeuw meer inbedding vinden in de kerken in hun zoeken naar eenheid? Zending betekent onveranderd: getuige zijn van Jezus Christus, het goede nieuws met anderen delen. Maar dan alleen vanuit het diepe besef dat wij geen mensen bekeren en dat onze acties nooit te vereenzelvigen zijn met het Rijk van God. Die les hebben zowel ‘eucumenici' als ‘evangelischen' intussen wel geleerd. Ooit stonden zij heftig polariserend tegenover elkaar. Toch deelden zij als kinderen van de Verlichting het geloof in de vooruitgang en in de maakbaarheid van de wereld. Zij bouwden in vergelijkbare zin in naïef vertrouwen op hun programma's en strategieën. De eersten vertaalden het Evangelie vooral in sociaal-economische projecten en voerde actie voor de armen (the poor). Evangelischen zetten zich vol optimisme in voor de verlorenen (the lost); via grootse campagnes zou de wereld voor 2000 zijn gewonnen voor Christus. Met de ineenstorting van de grote verhalen is het besef gegroeid dat de zending niet van ons is, niet afhankelijk is van onze inspanningen. Wij spreken van Missio Dei: de zending is Gods initiatief. Je proeft het in de contacten met mensen. De bereidheid neemt toe om niet langer met elkaar om te gaan in termen van concurrentie maar complementariteit, om elkaar niet langer aan te vallen, maar als partners in de ene zending elkaar aan te vullen vanuit de rijkdom die er in de diversiteit van traditiestromen te vinden is. De bijbelse metafoor die ons een kader biedt om ons in deze gedachte te oefenen, is het beeld van de gemeente van Christus als het lichaam en de leden. Enerzijds is er de enorme verscheidenheid van leden in een bonte veelkleurigheid van gaven; anderzijds zijn alle gaven terug te voeren tot de ene Geest en vindt het lichaam zijn eenheid in de ene Heer. Het komt er op aan —mondiaal, regionaal en lokaal- samen toe te groeien naar hem die het hoofd is, Christus (Efeze 4:15) en die zich voor ons allen gegeven heeft. In deze Geest zou het mogelijk moeten zijn om —met name in relatie tot de bases van gemeente en samenleving, van ds. Bottenbleij tot ds. Corrie Nicolai- met elkaar te werken een Charta Frisiana, die een Friese en dus oprechte en eigenzinnige vertaling geeft van de Charta Oecumenica tot heil en heelwording van allen die deze unieke provincie bewonen en van velen daarbuiten. |
||