Wat doet de NZR
 
 
 
 
 
 

 

   

Willingen 2002: Exit Missio Dei?

viering gouden jubileum van de vijfde wereldzendingsconferentie

 

1. Willingen 1952

Dit jaar was het vijftig jaar geleden dat in Willingen, Duitsland, de vijfde wereldzendingsconferentie van de toenmalige Internationale Zendingsraad bijeen kwam. Dat was een bijzondere gelegenheid: voor het eerst had een grote oecumenische conferentie plaats op Duitse bodem. Het was een zichtbaar teken dat de Duitse kerken na de tweede wereldoorlog weer helemaal waren geaccepteerd in de oecumenische wereld. Voor de zending zelf was het ook een bijzonder moment in een bijzondere tijd. Zending verkeerde in de jaren vijftig van de vorige eeuw in een crisis. In de eerste plaats was er de traumatische ervaring van de wereldoorlog, van de moord op miljoenen mensen, die op conto van het 'christelijke westen' werd geschreven. De pijnlijke vraag was, vooral in dat christelijke westen: kunnen we nog doorgaan met zending of moeten we maar bescheiden onze mond houden in de wereld?

De dramatische ontwikkelingen in China lagen vers in het geheugen. Mao en zijn communisten hadden daar de macht overgenomen en kerk en zending de wacht aangezegd. Kort voor die gebeurtenissen waren de verwachtingen in de zendingswereld ten aanzien van het land van de rijzende zon hoog gespannen; na eeuwen missionaire contacten en na een eeuw van intensieve missionering leken de velden nu wit om te oogsten. In 1948 waren er 6000 zendingsmensen in China werkzaam en stonden nog eens duizenden klaar hun aantal te versterken. Mao's acties veranderden deze dromen in luchtspiegelingen. Kort voor de conferentie in Willingen 1952 waren de laatste missionarissen en zendingsmensen uitgewezen; veel christenen waren om het leven gebracht of opgesloten in gevangenissen en werkkampen. De vraag was duidelijk: zending, kan dat nog? Zending, heeft het nog zin?

De afgevaardigden in Willingen 1952 waren voornamelijk westerse mensen, evenals dat het geval was op de eerste wereldzendingsconferentie in Edinburgh (1910). Velen was het niet gelukt Duitsland te bereiken. De conferentie zelf bleek geen succes. Men kon geen begaanbare weg vinden in deze moeilijke vragen, noch de verschillende meningen met elkaar verzoenen. Pas na afloop van de conferentie kwam er als late vrucht een 'Stichwort' naar voren dat de nieuwe interpretatie van zending moest aangeven: Missio Dei. Het kwam uit de pen van één van de deelnemers, Hartenstein, directeur van de Basler Mission. De geschiedenis zou de uitdrukking vooral verbinden met de naam van een Nederlandse missioloog, prof. Hoekendijk (Utrecht en later New York). Deze missio Dei werd het nieuwe zendingsbegrip. Daarin stonden (verbale) verkondiging van het evangelie en de oproep tot bekering niet langer voorop (of verdwenen zelfs soms geheel uit beeld), maar ging het om de komst van het rijk van God, van vrede en gerechtigheid. Zending was zending van God, 'onze' zending moest trachten te zien waar God in deze wereld aan het werk was en zich bij zijn pogingen tot vrede en recht aansluiten. De kerk had in deze opvatting slechts een ondergeschikte rol. Deze omschrijving doet uiteraard onvoldoende recht aan alle aspecten van het begrip missio Dei'; sommige missiologen (in Nederland b.v. Joh. Verkuyl) zagen wel degelijk een prioriteit voor verkondiging en bekering in die visie en legden sterk de nadruk op een trinitarische invulling van het 'Dei', zodat het werk van de Zoon en van de Geest evenveel aandacht kregen als dat van de Schepper. In het algemeen echter ging de uitdrukking functioneren zoals boven aangegeven: zending, dat is ontdekken waar God in de wereld aan het werk is.

2. Willingen 2002

De viering van het jubileum van deze wereldzendingsconferentie was georganiseerd door de kerk van Kurhessen-Waldeck, waar de kerk van Willingen deel van uitmaakt. De Duitse zusterorganisatie van de NZR, het Evangelisches Missionswerk (EMW) in Hamburg, was nauw bij de organisatie betrokken. Thema was: Grenzenlos-Boundless. De viering en herdenking viel in feite uiteen in twee delen, die elkaar overlapten. Van vrijdag 16 tot zondag 18 augustus was er een 'Missionsfestival' vooral bedoeld voor geïnteresseerde gemeenteleden. Van zondag 18 tot woensdag 21 augustus was er een wetenschappelijk congres waarin Willingen 1952 werd geëvalueerd en vooruit werd gezien naar de toekomst van de zending.

Het Missionsfestival begon met een avond vol herinneringen, waar twee nog in leven zijnde deelnemers van de conferentie hun verhalen vertelden. Zaterdags was er een markt van missionaire mogelijkheden in het stadspark van het fraaie stadje in Sauerland. Ook werd een forum gehouden, waaraan naast de algemeen secretaris van de Wereldraad van Kerken, dr. Konrad Raiser, en de studiesecretaris van EMW, dr. Klaus Schaeffer, twee vooraanstaande moslims uit Duitsland deelnamen. Het was opmerkelijk te zien hoe Raiser en de moslims gezamenlijk alle bekeringsactiviteiten veroordeelden en het gebruik van het woord zending afwezen; Schaeffer had de grootste moeite het negatieve beeld van evangelisatie althans enigszins bij te stellen… 's Avonds werd een gospelconcert in de openlucht gegeven, waaraan het jongerenkoor Macedonia uit Namibië meewerkte en het gospelkoor 'Get up' uit Kassel onder leiding van Peter Hamburger, de cantor voor moderne muziek van de uitnodigende kerk. Het was een enthousiaste bijeenkomst, waarin jongeren openlijk en zeer hoorbaar hun geloof beleden.

's Zondagsmorgen was er de officiële herdenkingsdienst in de kerk van Willingen (de nieuwe, de oude is inmiddels een café geworden…). Het was een bont geheel van koren, voorgangers, gebedsbanden, laserstralen en rookwolken. De preek werd gehouden door dr. Raiser, die opnieuw de nadruk legde op de vele fouten die de zending in het verleden had gemaakt en vandaag nog maakt. Slechts acties tot verzoening van plaatselijke voorgangers konden de toets der kritiek passeren. De dienst was de afsluiting van het festival en het begin van het congres.

3. Congres

Voor het congres waren zo'n 160 deelnemers uit twintig landen naar Willingen gekomen. Ze werden gastvrij ontvangen door de kerk van Kurhessen-Waldeck en de burgerlijke gemeente van Willingen, hetgeen onder meer tot uitdrukking kwam in een ontvangst in het 'dorpshuis' van de stad. Daar spraken vele autoriteiten (waaronder de vrouwelijke minister-president van Hessen) en belichtte de directeur van EMW, dr. Herbert Meissner, het belang van Willingen 1952 en zijn plaats in de missionaire geschiedenis van de vorige eeuw. Vanuit Nederland waren enkele vertegenwoordigers gekomen, waaronder drs.Jerry Gort (VU), drs.Joop Vernooy (Nijmegen) en dr. Geert van Dartel (Willibrordvereniging). Het congres zelf speelde zich in de beproefde traditionele stijl af: sprekers, plenaire discussies, werkgroepen, forum en conclusies. Soms iets té traditioneel, bijvoorbeeld toen bleek dat alle sprekers mannen waren… De congresleiding boog diep en erkende schuld na klachten van de aanwezige vrouwelijke (feministische) deelnemers. In de discussies en in het forum hadden vrouwen gelukkig een groot aandeel.

4. Lezingen

Veel aandacht ging er naar de lezingen, die over het algemeen van grote kwaliteit waren. De eerste kwam van de Noorse hoogleraar Tormod Engelsviken , een man van evangelikale snit. Hij zag in Willingen definitief de overgang ingezet van een op de kerk georiënteerde missiologie naar een op de wereld georiënteerde. De term missio Dei wordt weliswaar niet door iedereen op dezelfde manier geïnterpreteerd, maar wijst doorgaans wel in deze richting, aldus Engelsviken. Ook al is de missiologie van die naam niet per se anti-kerk, de secularisatie theologie van Hoekendijk e.a. gaven soms wel de indruk. Het Wereldraad studieprogramma uit de jaren zestig, The Missionary Structure of the Congregation, gaf een verdere stoot in deze richting naar de mening van de hoogleraar.

De wereldzendingscommissie (CWME) probeerde en probeert op beide sporen te werken, zowel die waarbij de kerk de missio Dei uitvoert en oproept tot geloof, als die waarbij de kerk slechts identificeert waar God aan het werk is in de wereld - dat kan zijn onder alle volken en in alle religies. Volgens Engelsviken hebben theologen als John Hick en Wilfred Cantwell Smith dit laatste ad extremum uitgewerkt; geen wonder dat er een scherpe scheiding kwam tussen 'ecumenicals' en 'evangelicals' in de zending! Die scheiding werd in Willingen 1952 in gang gezet. Vandaag wordt er kritischer gesproken over deze missio Dei-missiologie dan voorheen, ook in de Wereldraad. Engelsviken hoopte daarom dat Willigen 2002 het begin zou kunnen zijn van een nieuwe convergerende beweging in de zending.

De Duitse hoogleraar Wolfgang Günther uit Hermannsburg gaf een boeiend overzicht van de betekenis van de wereldzendingconferenties in de afgelopen eeuw. Hij gaf een fraaie omschrijving van het doel van deze conferenties: in de pas blijven met Gods zending. Een paar karakteristieken zijn in alle conferenties terug te vinden. Günther noemde de volgende: het feit dat men zich geroepen weet tot zending; dat zending geen hobby van de enkeling is maar behoort tot het zijn van de kerk; dat elke conferentie iets nieuws wil ontdekken aan de zending; dat elke conferentie een combinatie is van ernstige bijbelstudie en diepgaande analyse van de situatie in de wereld. De zendingsconferenties van na de tweede wereldoorlog verdeelde hij in drie perioden. Van 1947 (Whitby) tot 1980 (Melbourne) was, onder invloed van Nederlandse missiologen, de belofte van Gods toekomst het leidende motief. Dat werd anders in San Antonio (1989) waar toenadering tussen verschillende meningen tot stand kwam en in Salvador (1996), waar verscheidenheid als fundamenteel gegeven in de zending werd erkend.

De leiding van de conferentie had moeite gedaan het concept missio Dei ook te laten belichten door mensen uit Afrika, Azië en Latijns Amerika. Voor Afrika kwam dr. Klaus Nürnberger uit Pietermaritzburg, Zuid-Afrika, naar voren. De keuze voor deze inleider werd door zwarte Afrikanen aanwezig op het congres niet altijd begrepen: was er geen zwarte vertegenwoordiger uit Afrika te vinden geweest? Volgens de leiding was dat niet gelukt. Prof. Nürnberger legde met behulp van veel 'sheets' uit hoe de ontwikkelingen in Afrika, van traditioneel naar modern denken, al dan niet hadden plaatsgehad. Hij stelde voor dat we in kerk en zending ons niet steeds krampachtig afvragen hoe wij moeten antwoorden op de nood der wereld, maar hoe God antwoordt op de nood der wereld. Verder wees hij op de dramatische economische ontwikkelingen in een tijd van globalisering, die Afrika meer en meer marginaliseren. Uit zijn verhaal werd tenminste duidelijk dat het concept missio Dei in Afrika geen grote rol had gespeeld. Andere vragen zoals van kerk zijn in een situatie van schrijnende armoede, zijn meer relevant en urgent.

De bijdrage uit Azië kwam van de Koreaan dr. Soo Il Chai. Hij vertelde dat er weinig Aziaten en geen enkele Koreaan in Willingen 1952 waren geweest. Het concept missio Dei was in zijn land dan ook betrekkelijk onbekend, al kreeg het idee erachter een pregnante vertaling in het werk van Urban Rural Mission (URM), waarin kerken zich actief naast de armen opstellen. Dr. Chai deelde verder mee dat er een einde is gekomen aan de groei van de traditionele kerken in Korea. Het lijkt erop dat kerken geen antwoord kunnen geven op de nieuwe religieuze vragen van een jongere generatie, die zich daarvoor dan wenden tot oude of nieuwe religies. Zending is echter als vanouds sterk in Korea; wereldwijd werken er 7000 Koreaanse zendelingen in 145 landen. Het probleem waar de Koreaanse kerken mee worstelen is niet langer het verschil tussen 'ecumenicals' en 'evangelicals' op basis van de interpretatie van missio Dei, maar het verschil tussen rijke en arme kerken. De welvaartstheologie helpt bepaald niet om deze scheiding ongedaan te maken.

De rooms-katholieke bevrijdingstheoloog dr. Paulo Suess uit Sao Paulo , Brazilië, had wel een positief bericht over de betekenis van missio Dei in zijn situatie. Zonder dit concept zou zending, of het nu gericht is op woordverkondiging of sociale actie, al gauw fundamentalistisch zijn geworden, zo zei hij. Er is een duidelijke relatie met de prioriteit van de armen, waar de bisschoppenconferentie van Medellin later over zou spreken. Door deze keuzes kan het gebeuren dat priesters gewijd worden aan de voet van de afvalbergen van Latijns-Amerika waar de armsten van de armen leven, ook al vindt Rome dat geen geschikte liturgische omgeving voor zo'n plechtigheid. Hij gaf aan wat de spanning in de missio Dei- missiologie is, namelijk het feit dat God weliswaar in de wereld aanwezig is maar dat wij niet over Hem kunnen beschikken. In dit concept komt wel, volgens hem, de universaliteit van het heil uit, dat maar niet slechts voor een kleine groep bevoorrechten bestemd is. Gods liefde voor de mensen komt in alle religies naar voren, aldus Suess. De kerk is van belang als voorbeeld van een niet-individuele (heils)gemeenschap, een duidelijk anti-beeld tegenover de privatiserende tendensen in de huidige cultuur. Missio Dei roept op tot internationale solidariteit met en nationale bevrijding van de armen. Het betoog van prof. Suess kreeg weinig reacties. Het was daarvoor te zeer een herhaling van de overtuigingen en uitgangspunten van de inmiddels klassieke bevrijdingstheologie, met weinig nieuwe aanzetten. Zo was het opvallend dat de groei en de betekenis van de Pinksterbeweging in Latijns-Amerika door hem niet werden genoemd, ook niet toen hem daarnaar gevraagd werd. Het versterkte daarmee de indruk dat missio Dei en de concrete uitwerking ervan achterhaalde concepten zouden zijn.

Een laatste bijdrage kwam van de hoogleraar Theo Sundermeier uit Heidelberg , Duitsland. In een boeiend betoog ging hij in op de ontwikkelingen sinds Willingen 1952. Toen was de stemming in de zending zo pessimistisch dat het wel leek of iedereen dacht: redden wie zich redden kan! Nu echter heeft men ontdekt dat we met het project van Hoekendijk in een val zijn gelopen waar we ons slechts met moeite uit zullen kunnen bevrijden. Sundermeier noemde enkele opvattingen die volgens hem niet de zending definiëren. Daaronder rekende hij 'kerkgroei'; zending is niet in de eerste plaats op kerkgroei gericht. Verder is zending geen ontwikkelingshulp of diaconaat; hoe belangrijk ook, zending kan daarin niet opgaan. Tenslotte betoogde hij dat er zonder zending geen dialoog met andere religies mogelijk is; pas op grond van een duidelijke eigen overtuiging, die wil werven (christelijk geloof is altijd missionair van karakter!) kan een waarachtig gesprek met de ander plaatsvinden.

Daarom zal vandaag opnieuw de identiteit van zending moeten worden geformuleerd. Identiteit bestaat volgens de sociologen uit vier aspecten: een innerlijk, een uiterlijk, een historisch ('de weg') en een tijdgeoriënteerd aspect. Het innerlijk aspect van de zending is volgens Sundermeier het geloofsgeheim dat door de Schrift in Jezus voor ieder toegankelijk wordt gemaakt. Het uiterlijk aspect omschreef hij met het woord vrijheid. Zending is vrij zijn en behoort een beeld te tonen van de liefde van God, van respect voor anderen. Kernwoord voor de zending is niet 'partnership' (Whitby!) maar vriendschap, zoals God die met Abraham had, zoals Jezus die met zijn discipelen had. Een vriend kan zich verheugen in het feit dat de ander anders is. Dan kan dialoog plaatsvinden, dan kan waarachtig worden geluisterd.

De weg van de zending is er één van pluraliteit. Sundermeier zette zich af tegen allerlei pogingen tot kerkhereniging in de wereld, die uiteindelijk weinig anders opleveren dan een versterking van de macht van de centrale autoriteit in de kerk en weinig mensen bewegen zich te bekeren: verscheidenheid is geen doodzonde. Ook ethnische verscheidenheid behoeft, volgens Hand. 2, niet langer vervreemdend te zijn of vijandschap te scheppen. Ten aanzien van religieus pluralisme bekritiseerde hij die godsdienstwetenschap die ervan uitgaat dat alle godsdiensten gelijk zijn. Wie geeft iemand het recht uit te maken wat de waarde van een andere religie is? Het getuigt van een arrogante houding. In feite is de pluralistische theologie der religies niet pluralistisch genoeg. 'Maar gij, gaat gij henen….' Tenslotte heeft zending een opvatting over tijd; dat is volgens hem de hoop op de spoedige komst van Gods rijk. Dat is wat anders dan de 'shalomisering' van het leven waar Hoekendijk ons mee heeft opgezadeld. In Christus is die hoop gegeven als een 'futurum preaveniens': Hij is aanwezig en zal aanwezig zijn (Luc. 24). Zending, aldus Sundermeier, moet zich eindelijk eens bevrijden van masochistische schuldbelijdenissen en aan het werk gaan om de toegang tot het geheim van Christus voor de wereld te openen.

5. Balans

Na deze boeiende en soms provocerende inleidingen, na de discussies in plenum en in kleinere groepen, was het de taak van dr. Jacques Matthey, directeur van de wereldzendingscommissie in Genève, de balans op te maken van alles wat er over Willingen 1952 en over missio Dei gezegd was. Hij begon met de positieve aspecten te noemen van de desbetreffende conferentie. Het was van groot belang geweest dat in een tijd waarin de zending in een crisis verkeerde, deze duidelijk werd verankerd in het handelen van God. Dat maakte het mogelijk dat niet feilbare, al te feilbare mensen dragers van de zending te moesten zijn, maar dat God als de echte bevrijder van de mensen werd gezien. In die zin verbreedde 'Willingen' de horizon van de zending en maakte het mogelijk een nieuwe visie te ontwikkelen op andere godsdiensten.

Wat echter negatief uitwerkte in en vooral na Willingen was dat die visie te nauw was verbonden met één bepaalde theologische en politieke keuze. Die hield onder meer een groot optimisme over de secularisatie in en een afwijzing van evangelisatorische activiteiten. Dat veroorzaakte enkele jaren later de scheuring in de missionaire beweging tussen 'ecumenicals' en 'evangelicals'. 'Willingen' bracht in feite voor geen enkel belangrijk missionair vraagstuk een oplossing.

Een en ander betekent dat als men het concept missio Dei verder wil benutten in de zending, er fundamentele wijzigingen in dienen te worden aangebracht. Men zal moeten nagaan hoe men oorzaak en gevolg beter kan onderscheiden. Hoe kan de trinitarische inhoud van missio Dei verder worden geaccentueerd? Verder zal de rol van de kerk duidelijker moeten worden gearticuleerd en zal de prioriteit van evangelisatie opnieuw moeten worden erkend. Volgens Matthey is het immers het specifieke van de zending dat het een ontmoeting met de ander is, waarin het mysterie van God wordt gedeeld. Gods prioriteit voor de armen is een belangrijk gegeven, maar het maakt de armen niet tot een Messiaans volk.
Verscheidenheid, verzoende verscheidenheid zal belangrijker zijn dan eenheid in kerk en zending. Gods rijkdom is groter dan onze bijeenkomsten kunnen afspiegelen, aldus Matthey.

De wereldzendingsconferentie van Bangkok (1972) en de algemene vergadering van de Wereldraad van Kerken in Canberra (1991) waren de momenten waarin eenheid een breekpunt werd. Dit zal anders moeten. Matthey besloot zijn voordracht met het voorbeeld van een bijzondere gast in Willingen 1952: de Pinkstervoorman David du Plessis uit Zuid-Afrika. Hij was van plan geweest slechts drie dagen te blijven, maar zat de conferentie uit, zozeer werd er steeds een beroep gedaan op zijn visie, zijn mening, zijn kennis van de Geest. Dat kan ook in de zending: verscheidenheid respecteren tot heil van velen.

6. Conclusie

Het was een voorrecht in Willingen 2002 aanwezig te zijn, niet alleen vanwege de hartelijke ontvangst in deze fraaie stad, maar vooral vanwege de kwaliteit en de inhoud van het congres. Het bleek dat zending en missiologie tot kritisch zelfonderzoek in staat waren en niet aarzelden het concept missio Dei zo niet feitelijk dan toch inhoudelijk te verwijzen naar de geschiedenis. Het heeft goede diensten bewezen en de aandacht voor de wereld, voor recht en vrede, in de zending een vaste en onopgeefbare plaats gegeven. De prioriteit voor de armen kon daardoor, eenmaal geformuleerd, van het eerste moment worden omarmd. Maar nu is de tijd veranderd.

Het optimisme over secularisatie is omgeslagen in diepe teleurstelling over zovelen die niet alleen de kerk maar ook het geloof de rug toekeerden. De inschatting van de 'maakbaarheid' van de wereld is lager dan ooit. Van andere religies is inmiddels gebleken dat die niet alleen vindplaatsen van God zijn, maar ook wegen te bieden aan de doorwerking van het kwaad- evenals dat trouwens in het christendom het geval is. Shalom-denken bleek in bepaalde gevallen het tegenovergestelde te bewerkstelligen van wat het eigenlijk bedoelde en mensen in een nieuwe gevangenschap, die van een moralistische zending, te brengen.

De tijden zijn veranderd. Wereldwijd stellen mensen religieuze vragen. Daarop verlangen zij geen statistisch antwoord, geen politiek actieprogramma, maar een religieus antwoord. Een specifiek religieus antwoord. Zending zal opnieuw moeten leren in alle verscheidenheid woorden te vinden om het geheim van God in Christus open te leggen voor de gehele wereld. Met respect en liefde. Maar ook met de vaste overtuiging geen andere boodschap te hebben dan deze, voor de redding van de wereld.

N.B. De teksten van de lezingen zullen later dit jaar in het Duits en het Engels worden
gepubliceerd. Nadere informatie bij het bureau van de NZR.