| Centraal Weekblad, 2005, door Drs. Wout van Laar | |
De gast wordt gastheer: |
|
Wat is de betekenis van ‘gastvrijheid' in het huidige maatschappelijke klimaat? Vaak wordt het begrip te naïef gebruikt. Het roept al gauw beelden op van koffiedrinken na de dienst en minzame vriendelijkheid die tegenstellingen verbloemt. Als er één concept is dat het verdient te worden herontdekt in zijn oorspronkelijke diepte en uitdagend potentieel, dan is dat het concept van gastvrijheid. Een helder verstaan van het bijbelse spreken op dit punt stelt ons in staat om de actualiteit te verbinden met kernwaarden van het christelijk geloof.
Het bijbels-griekse woord voor gastvrijheid is: filo-xenia . Letterlijk is dat: liefde voor de vreemdeling. Het woord brengt twee elementen bij elkaar die niet langer vanzelfsprekend bij elkaar passen in onze samenleving. De liefde tot de vreemdeling ( xenos ) staat onder druk. Er is eerder sprake van afstand, terughoudendheid of zelfs vijandigheid: xeno-fobia. Degene die ons van huis uit niet vertrouwd is, wordt niet langer gezien als een uitdaging, maar als een bedreiging die afweer oproept.
Bij God te gast
Voorop staat: de vraag naar de vreemdeling raakt de eigen identiteit. Is niet ieder die door Gods stem is geraakt per definitie een vreemdeling? In een oud credo belijdt Israël zijn afkomst: “Mijn vader was een verdoolde Arameeër. Hij trok naar Egypte en woonde daar als vreemdeling met een handvol mensen…” (Deut. 26: 5). De oerervaring van een stel landzoekende nomaden met de Heer markeert de identiteit van het volk. Abraham is weggeroepen uit zijn land om als vreemdeling te wonen in een vreemd land.
Israël diende zich blijvend te beschouwen als vreemdeling in het eigen land. Het land behoort aan God toe “en jullie zijn slechts vreemdelingen die bij mij te gast zijn”(Lev. 25: 23). Koning David erkent dat: “Net als al onze voorouders zijn wij slechts vreemdelingen die als gasten bij u verblijven, ons bestaan op aarde is als een schaduw, zonder enige zekerheid” (IKron. 29: 15). Het staat ingeprent in het bewustzijn: wij bezitten niets van onszelf, wij ontvangen het alles uit de hand van hem die zich genadig ons lot heeft aangetrokken. Het is goed om bij deze gastheer te schuilen, totdat het onheil is voorbijgegaan (Ps. 23).
Dit besef van gratuïteit is consequent terug te vinden bij Franciscus. Hij ziet zich ziet als een bevoorrechte gast in Gods goede schepping, waarbinnen hij zich niets mag toe-eigenen. Voor hem begint het kwade met het zich toe-eigenen, het onderscheid maken, het uitsluiten. Voor Franciscus zijn alle mensen ‘gasten in Gods goede schepping'. Zijn Zonnelied is het lied van een pelgrim en vreemdeling die als gast in Gods schepping zich intens nabij voelde bij de mensen en alles wat is en op die manier bij God zelf, centrum en bron van leven.
De apostel Petrus schrijft aan ‘de uitverkorenen die als vreemdelingen verspreid' in Klein-Azië verblijven. Het is best mogelijk dat onder hen groepen migranten waren die, om allerlei redenen van huis en haard verdreven, in de diaspora leefden. Maar ook in overdrachtelijke zin zagen christenen zichzelf als vreemdelingen en ‘bijwoners', mensen met een beperkte verblijfsvergunning, die hier geen vast thuis hebben. Hun burgerschap is in de hemel. De werkelijkheid van deze wereld kan niet als de laatste werkelijkheid gezien worden. De hoop ziet uit over de horizon van de tijd naar de toekomst van Christus, die nabij is. Dat betekende geen wereldvreemdheid. Integendeel, het besef vreemdeling te zijn deed de eerste christenen diep betrokken zijn bij de samenleving, zij het vanuit een principiële vrijheid ten aanzien van de staat of cultuur waarbinnen zij leefden.
Heeft de kerk vandaag zich niet vaak kritiekloos aangepast aan het algemene levensgevoel van een materialistische samenleving, die deze zintuiglijke wereld voor laatste werkelijkheid houdt? Wie ‘de pinnen van zijn tent te vast in de aarde geslagen' heeft, kan weinig met de bijbelse notie van vreemdeling zijn. Ligt hier een van de oorzaken van het feit dat christenen van de gegoede middenklasse doorgaans weinig gevoeligheid tonen voor het recht van de vreemdeling? Vaak wordt de gulste gastvrijheid geboden door gastheren en –vrouwen die besef hebben van hun eigen vreemdeling zijn. Het existentiële besef van de eigen status van vreemdeling, zowel in religieuze als in sociale zin, kan niet anders dan gevoelig maken voor de kwetsbare positie van de vreemdeling in de poort. De thora herinnert daar voortdurend aan: “Vreemdelingen mag je niet uitbuiten. Jullie weten immers hoe het voelt om vreemdeling te zijn, omdat jullie zelf vreemdelingen zijn geweest in Egypte”(Ex. 23: 9).
Jezus, die zelf geen plek vond om zijn hoofd neer te leggen, vereenzelvigt zich met de vreemdeling, wanneer hij zegt: ‘Wat jullie aan vreemdelingen hebt gedaan, heb je aan mij gedaan' (Mat. 25). Jezus liefhebben en hem zijn liefde tonen houdt in: gastvrijheid bieden aan de vreemdeling, zieken en gevangenen bezoeken, tot welk volk of welke stand zij ook mogen behoren. Een van de authentieke kenmerken van de evangelieverkondiging in de eerste eeuwen die diepe indruk maakte was dat aan christenen en niet-christenen zonder onderscheid zorg werd gegeven. Christenen onderscheidden zich in hun grenzenoverschrijdende gastvrijheid jegens vreemdelingen, zieken, pestleiders, ter dood veroordeelden en outcasts. De gemeente van Christus is een universele gemeenschap van ‘vreemdelingen in de diaspora', een gemeenschap die geen grenzen kent van ras en status, en die opkomt voor de intrinsieke waarde van ieder mens. Het gastvrij breken van het brood blijkt een machtig middel om culturele en sociale grenzen te doorbreken en te komen tot getransformeerde relaties op basis van gelijkwaardigheid. Zou de ‘keuken' ook vandaag niet een cruciale rol kunnen spelen die politieke, etnische en socio-economische tegenstellingen weet te overstijgen?
Nieuwe naïviteit
Veel bijbelverhalen over gastvrijheid bevatten elementen van geheim en verrassing. Zo blijkt uit de profetenverhalen rondom Elia en Elisa dat je in ‘toevallige' gasten zomaar engelen, boodschappers van God, in huis kunt hebben. Bekend is het verhaal van Abraham die drie onbekende gasten welkom heet (Gen. 18). Gaandeweg wordt duidelijk dat hier een ontmoeting met God plaats vindt. Op hun oude dag zullen Abraham en Sara een zoon ontvangen. Iets wat zij voor onmogelijk hielden.Het tegenverhaal (Gen. 19) laat zien wat er gebeurt, als de gastvrijheid niet wordt gerespecteerd. De gasten van Abraham vervolgen hun weg naar Sodom. Lot begroet de vreemdelingen hartelijk en nodigt hen uit bij hem thuis te overnachten. De mannen van Sodom eisen dat Lot hun zijn gasten uitlevert voor sex. Lot gaat zo ver dat hij hun zijn twee dochters aanbiedt. “Maar laat die mannen met rust, ik heb hun niet voor niets een veilig onderkomen geboden.”
Is de zonde van de mannen van Sodom niet allereerst, dat zij het heilig gastrecht schenden? Het al dan niet tonen van gastvrijheid jegens de vreemdeling is de uiteindelijke maatstaf om te beoordelen of een samenleving rechtvaardig is of niet. Een samenleving die de vreemdeling en zijn rechten niet langer respecteert, heeft geen toekomst. Waar echter de vreemdeling welkom is, komt de heerschappij van God nabij en worden alle dingen mogelijk.
Het verhaal van de ontmoeting van de verrezen Heer met de twee discipelen op de weg naar Emmaus (Luk. 24) laat opvallende parallellen zien met dat van Abraham. Zonder hoop waren die twee op weg naar huis, toen een ‘vreemdeling uit Jeruzalem'zich bij hen aansloot. Hij opende hun harten voor een nieuw verstaan van de Schriften. Aan het breken van het brood herkenden zij Jezus als de levende. Ook hier vindt openbaring plaats via een gastvrij onthaal van een vreemdeling. Rollen worden omgedraaid: de gast wordt tot gastheer en omgekeerd. Resignatie wordt overwonnen doordat ogen open gaan voor de levende aanwezigheid van hem die ‘wonderen' doet: de dorre levensboom zal vrucht dragen, de steen is afgenomen van het graf! In beide verhalen wordt herinnerd aan eerdere beloften en gaat de toekomst open.
Cruciaal is de retorische vraag: ‘Is ook maar iets voor de Heer onmogelijk (te wonderlijk)?' De vraag keert terug wanneer de engel Gabriël tot Maria komt. ‘Wonderlijk' is datgene wat ongehoord en ongedacht is. Wat tegen alle verwachtingen ingaat, gebeurt. Onvruchtbaarheid wordt weggenomen en God opent onverwachte mogelijkheden. Zijn plan met Israël en de volken doorbreekt alle schema's. Er vinden dingen plaats die zich op geen enkele manier laten vangen in menselijke denkcategorieën.
Dat appelleert aan een nieuwe naïviteit die weer durft rekenen met verrassingen van de andere zijde: geboorte van nieuw leven, opstanding uit de dood. In totaal vastgelopen situaties waar menselijke mogelijkheden zijn uitgeput leren wij kijken vanuit een ander perspectief. ‘De Heer is werkelijk uit de dood opgewekt en hij is aan Simon verschenen', roepen de leerlingen de twee van Emmaüs toe. ‘En terwijl ze nog aan het vertellen waren, komt Jezus zelf in hun midden staan. Zijn vrede neemt de angst weg en brengt zijn volgelingen ertoe gebarricadeerde deuren vol verwachting te openen naar Gods wijde wereld toe. Waartoe het verlenen van gastvrijheid al niet leidt!Wout van Laar, ‘De gast wordt gastheer: Bijbelse notities bij het thema gastvrijheid,' Centraal Weekblad , 23 december 2005