Het gaat in de kerk om de wereld
Ter gelegenheid van het honderdste geboortejaar van Johannes Hoekendijk

 

Tekst: Wilbert van Saane

 

 

Johannes Christiaan Hoekendijk (1912-1975) was misschien wel de meest originele en zonder twijfel de meest controversiële Nederlandse missioloog van de 20e eeuw. Hij hield kerk en zending voor dat het christelijke leven draait om totale dienstbaarheid aan de ander. Het gaat in de kerk niet om de kerk, maar om de wereld. Dat was zijn devies. Een eerbetoon aan een man om wiens gedachtegoed de Nederlandse zending nog steeds niet heen kan.

 

Hoekendijk werd in het toenmalige Nederlands Indië geboren als zoon van een zendingsechtpaar. Op achttienjarige leeftijd begon hij zelf ook aan de opleiding tot zendeling, die toen in Oegstgeest gevestigd was. Daarna studeerde hij theologie in Utrecht (1936-1941). Hij promoveerde enkele jaren na de oorlog bij professor A.A. van Ruler.

 

In de oorlogsjaren werkte hij in Geneve als geestelijk verzorger van vluchtelingen. Pal na de oorlog benoemde de Internationale Zendingsraad hem tot interim zendingsconsul in Indonesië. Het was een chaotische en zware tijd, maar ongetwijfeld vormend voor zijn denken over zending. Terug in Nederland werkte hij enkele jaren voor de Nederlandse Zendingsraad. In die tijd dacht hij veel na over samenwerking in zending. Hij riep de zendingsorganisaties telkens weer op om te luisteren naar de kerken in de niet-westerse wereld en zending ten dienste te laten staan van die kerken.

 

Na zijn tijd bij de NZR was hij secretaris voor evangelisatie bij de pas opgerichte Wereldraad van Kerken. Hij schreef het geruchtmakende essay ‘The Call to Evangelism’ (IRM 39/1950, 162-175) waarin hij stelde dat de kerk mensen niet langer een terugkeer naar het corpus christianum moet voorhouden. Herstel van de gekerstende samenleving, waarover Van Ruler zo hoog kon spreken, was volgens Hoekendijk een totale illusie. Een nieuwe tijd was aangebroken, en die vroeg om een nieuwe manier van verkondiging. De westerse mens, zo voelde Hoekendijk aan, is post-christelijk, post-kerkelijk, post-burgerlijk en zelfs post-persoonlijk geworden. Met dat laatste bedoelde hij de ‘verknipping’ en ‘verrafeling’ van mensen, die het zo moeilijk maakt om een alles-beslissende keuze voor een religie of een instituut te maken.

 

Vanaf 1953 was hij kerkelijk hoogleraar te Utrecht. In 1965 vertrok hij naar New York, voor een professoraat aan het Union Theological Seminary. In de internationale oecumenische beweging was zijn invloed vooral in de jaren zestig en zeventig voelbaar. Het studietraject ‘The Missionary Structure of the Congregation’ en de rapporten The Church for Others en The Church for the World droegen onmiskenbaar zijn stempel. Deze documenten poneerden de even bekende als omstreden formule dat de wereld de agenda voor de kerk vaststelt en niet andersom. De jongeren in de oecumenische beweging herkenden zich in die jaren in de denkbeelden van Hoekendijk, die liever nadacht over de uitdagingen in de wereld dan over de kerk op zich.

 

In Nederland gold hij als de radicaalste woordvoerder van de apostolaatstheologie, de naoorlogse theologie die het getuigende karakter van de kerk voorop stelde. Voor Hoekendijk lag de essentie van het kerk-zijn in het dienen, in het gericht zijn op anderen. De kerk, zo stelde hij, is eigenlijk een groep nomaden, die open staat voor iedereen. Het is eerder een tent die telkens weer wordt verplaatst dan een kathedraal die stevig staat en boven alles uit torent.

 

Al in zijn dissertatie over kerk en volk in de Duitse zendingstheologie maakte Hoekendijk duidelijk dat hij de ander echt de ander wilde laten zijn. Zonder erkenning van de ander is ware dienstbaarheid aan die ander onmogelijk. Hij wees er op dat theologen vaak ordinologisch denken: dat wil zeggen dat ze de naaste vastleggen binnen de eigen schema’s. In wat Hoekendijk een oecologische wijze van denken noemde is echter niets vooraf beslist. De dingen mogen er zijn en ze worden niet tot principes gereduceerd.

 

In zijn Utrechtse tijd werd duidelijk dat hij een koers had gekozen die andere hoogleraren te ver ging. H. Berkhof vond dat Hoekendijk er een al te functionele ecclesiologie op nahield en ook Van Ruler liet merken dat hij ernstige bedenkingen had. De kerk was niet alleen maar dienst en getuigenis, maar had ook een eigen gestalte. Als repliek herhaalde Hoekendijk dat hij een eigen gestalte van de kerk onnodig vond. Die ecclesiologische positie weerspiegelde zijn denken over Christus, dat ook zeer functioneel bepaald was. Het ging hem om wat de Messias deed: sjaloom de wereld in brengen, de wereld met God verzoenen. In die taak deelt de kerk, geloofde Hoekendijk. Net zoals het Jezus niet om zichzelf maar om de ander ging, zo gaat het de kerk ook om de ander. Niet voor niets heet de bloemlezing uit Hoekendijks werk die L.A. Hoedemaker samenstelde De kerk binnenste buiten.

 

Het diaconaat kwam in de loop van de jaren steeds centraler te staan in Hoekendijks denken. Het werd voor hem de primaire wijze waarop de kerk present moet zijn in de samenleving. Hij dacht er echter niet over om een programma voor diaconaat op te stellen. Dat zou maar leiden tot utopisme, tot onbereikbare idealen. Het diaconaat is voor hem eerder een plaats die kerk toegewezen krijgt en die plaats is bij de armen. Daar, op die plaats, vindt de kerk vrijheid. Daar wordt zij bevrijd van zichzelf en kan zij zich vrijmoedig geven aan de ander. Dit is dus een totale omkering van de filantropische visie op het diaconaat. De arme wordt niet geholpen door de kerk, maar de kerk wordt bevrijd door de arme. Hoekendijk benadrukte ook steeds meer dat het niet in de eerste plaats de geestelijkheid is, maar de leken, de gewone kerkmensen, die deze roeping tot dienstbaarheid vervullen.

 

Veel van Hoekendijks ideeën waren voor zijn collega’s in academische en missionaire kringen onacceptabel. Sommigen zagen er zelfs een uitverkoop van de zending in. Hoekendijk blijft mij echter fascineren. De kerk in dienst van de ander, in de voetsporen van Jezus, die de dienaar par excellence is: dat is de kern van de missionaire opdracht. In die dienstbaarheid is ruimte voor uitwisseling in woord en daad. Maar ook de plaats die de kerk in het diaconaat toegewezen krijgt, bij de arme: dat mag niet vergeten worden. Hoekendijk heeft hierin zelf ook een voorbeeld gegeven, door zijn huis open te stellen voor anderen en met hen zogenaamde sjaloom-maaltijden te delen, ongeacht hun afkomst, sociale status, opleiding of ras. Zending was voor hem uiteindelijk iets van de gewone dagelijkse omgang, het geleefde leven.

 

Voor een verdere kennismaking met Hoekendijks gedachtengoed:
P. van Gurp, Kerk en zending in de theologie van Johannes Christiaan Hoekendijk (1912-1975): Een plaatsbepaling. Haarlem: AcaMedia, 1989.
J.C. Hoekendijk, De kerk binnenste buiten. Keuze uit zijn werk door L.A. Hoedemaker en P. Tijmes, Amsterdam: Ten Have, 1964.
A. Noordegraaf, Vijf broden en twee vissen: Missionair gemeentezijn in een (post)moderne samenleving. Tweede druk. Zoetermeer: Boekencentrum, 1999 (eerste druk 1998).