Vijftig jaar New Delhi Assemblee

 

 

 

New Delhi, november 1961. Op een prachtige zondagmorgen komen honderden christenen uit de hele wereld samen voor een kerkdienst onder de warme Indiase zon. Volgens goede Indiase tradities, verzamelen ze zich in een enorme tent versierd met elegante Indiase patronen. Ze worden welkom geheten door Metropoliet Juhanon van de Mar Thoma Syrische Kerk van Malabar. Hij roept hen op tot het gebed: ‘Uit vele landen zijn wij op deze plaats samen gekomen, omdat Christus, die het licht der wereld is, in onze harten geschenen heeft, om ons het licht van de kennis van God te geven, en omdat hij ons als licht in de wereld gesteld heeft en ons gevraagd heeft ons licht te laten schijnen.’

 

Deze oproep tot gebed vatte bondig samen waar het tijdens de Derde Assemblee van de Wereldraad van Kerken om ging. De vergadering was doordrongen van een groeiend besef van christelijke eenheid. Vergeleken met eerdere bijeenkomsten van de Wereldraad was er nu een nog bredere vertegenwoordiging van culturen en kerken. Enkele orthodoxe en pinksterkerken traden toe tot de Raad. Deze Assemblee markeerde ook de integratie van de Internationale Zendingsraad (IMC) en de Wereldraad van Kerken (WCC). Kerk en zending waren evenredig vertegenwoordigd. Het theologische punt dat zending en eenheid bij elkaar horen had niet duidelijker gemaakt kunnen worden. De pioniers van de Wereldraad moeten dit als een enorme bevestiging van hun werk ervaren hebben. In vergelijking met de twee eerdere Assemblees was deze Assemblee dan ook hooggestemd. Op vreugdevolle wijze werd Christus verkondigd als het Licht van de Wereld.

 

De Assemblee van New Delhi vond plaats op het hoogtepunt van de Koude Oorlog. De spanning tussen Oost en West hing voelbaar in de lucht. De Cubaanse Revolutie en de Berlijnse Crisis lagen nog vers in het geheugen. Kort daarna zou de Cubacrisis de wereld in haar greep houden. In die context was de toelating van enkele grote orthodoxe kerken – de Russische, de Poolse, de Bulgaarse en de Roemeense Orthodoxe Kerken werden lid – een krachtig teken van eenheid in Christus. De christelijke gemeenschap oversteeg de kloof die diplomaten niet konden overbruggen.

 

De afgevaardigden naar New Delhi concentreerden zich op de helende kracht van de christelijke boodschap voor deze wereld. ‘We leven in kritieke tijden, maar het is niet de wanhoop van ons tijdperk dat de getuigenis van het evangelie van Christus zo urgent maakt. De urgentie van de evangeliserende taak van de kerk komt op uit het evangelie zelf, omdat het gaat om het evangelie van Christus. Christus houdt van de wereld die hij redde door voor haar te sterven. Hij is nu reeds het licht van de wereld, de Heer van de wereld, en zijn licht gaat voor de boodschappers uit in de meest duistere plaatsen.’ (New Delhi Report, 116)

 

New Delhi was een belangrijke stap in een proces van verandering van de wereldwijde kerk. Tijdens deze Assemblee merkte Patriarch Alexis van de Russische Orthodoxe Kerk nog op dat de orthodoxen vooral in Faith & Order waren geïnteresseerd en dat zij zich niet zouden inlaten met de zending. Ondanks deze woorden, hebben de orthodoxe kerken sindsdien een diep zendingsbewustzijn hervonden. Orthodoxe geestelijken bekommeren zich niet meer alleen om hun eigen kudde. De omgang met missionair bewogen protestanten in de Wereldraad heeft hen geholpen om op nieuwe, missionaire wijze in hun vanouds orthodoxe samenlevingen te staan. Zij beseffen dat de orthodoxe kerken niet langer het hart van die samenlevingen vormen en dat missie nodig is. Ze weten zich ook geroepen tot zending over de grenzen van de orthodoxe wereld. Anderzijds hebben de ontmoetingen met orthodoxen in de kringen van de Wereldraad protestanten een nieuwe waardering van de orthodoxe traditie en spiritualiteit gegeven. Ze hebben geleerd om orthodoxe christenen niet langer te zien als objecten van zending. Ze hebben begrip gekregen voor hun volharding en trouw, juist in tijden van tegenslag.

 

In de jaren ’60 betreurden veel zendingsminnende protestanten de samenvoeging van de IMC en de WCC. Ze hadden het gevoel dat dit het missionaire vuur in de wereldkerk zou doven. De zending zou in de veelheid van onderwerpen gedegradeerd worden tot een agendapunt. Niet langer zou de zending als hoogste roeping van de wereldkerk gelden. Hun vrees was dat Life & Work en vooral Faith & Order niet in staat zouden zijn om het missionaire perspectief voldoende te integreren. Dr. Johannes Blauw, die namens de Nederlandse Zendingsraad de Assemblee bijwoonde, vertelde in zijn verslag dat ‘New Delhi typisch een Wereldraad Assembly geweest is, niet een Assembly van de geïntegreerde Raad’. Blauw citeerde met instemming Billy Graham, die als gast op de Assemblee aanwezig was en die vond dat ‘men teveel met zichzelf bezig is geweest’. (De Heerbaan: Algemeen Zendingstijdschrift 1962/1, 7)

 

De ontwikkelingen in de volgende decennia zijn bekend. Veel evangelische christenen hielden zich verre van de Wereldraad. Ze vonden de Wereldraad zijn missionaire erfgoed te grabbel had gegooid. Aan de andere kant vonden velen in de oecumenische beweging de evangelische visie op zending armoedig en simplistisch. Ze misten de sociale en profetische dimensies van het evangelie. New Delhi wierp dus onbedoeld een schaduw van verdeeldheid over de missionaire beweging. Zelfs invloedrijke leiders als W.A. Visser ’t Hooft, Stephen Neill en Lesslie Newbigin waren niet in staat om de meer pragmatische protestanten te overtuigen. Deze groep wantrouwde de abstracte theologische statements van de Wereldraad en had als absolute prioriteit om het werk van wereldevangelisatie verder ter hand te nemen.

 

Vandaag de dag is veel van het wederzijdse wantrouwen weggeëbd. Sinds de jaren ’80 zijn de paden van de evangelische en oecumenische bewegingen weer naar elkaar toegebogen. Beide bewegingen bepleiten nu hartstochtelijk een holistische kijk op zending, waarin dienst, eenheid en getuigenis bijeen gehouden worden. Het wederzijdse respect is hersteld. Grenzen tussen denominaties zijn minder relevant geworden. Jonge christenen beseffen dat het vandaag aankomt op gezamenlijk getuigenis en dienst in samenlevingen die steeds verder van het christelijke geloof af drijven.

 

We hervinden de visie op eenheid en zending die zo kenmerkend was voor de Assemblee van New Delhi. Dat stemt dankbaar. Maar de vraag blijft: Wat als? Wat als de Assemblee van New Delhi de missionaire beweging een grotere plek hadden gegeven? Wat als evangelische, zendingsbewuste christenen het gevoel hadden gehad dat dit ook hun Assemblee en hun beweging was? Wat als christenen toen en nu zich meer bewust zouden zijn van Berkouwer uitspraak dat ‘zeggen dat de kerk katholiek is een andere manier is om te zeggen dat zij in wezen missionair is’? Wat als we dieper doordrongen zouden zijn van het gebed van Christus, die bad dat ‘zij volmaakt één zijn opdat de wereld erkent dat U Mij gezonden hebt’ (Joh. 17: 23).

 

Utrecht, juni 2011
Wilbert van Saane